Tussen Maas en Donau

Het was bloedheet bij het opstaan. In niets dan m’n fietsbroekje brak ik de tent af en propte wat brood naar binnen. Dat wordt nog wat in Italië, bedacht ik terwijl ik met tegenzin m’n fietsshirt aantrok.

Eenmaal onderweg werd het beter. Bij de veerpont was het al iets koeler, eenmaal los van de Maas kwam er wat bewolking. De route gaat via wat suf overkomende dorpjes in zuidoostelijke richting. Goed dat ik gisteren niet doorgefietst ben. Als je voor tien kilometer het mooie Kessel links laat liggen, schiet je het doel meer dan een beetje voorbij.

Ik ga de grens over, dit keer voorgoed. De route slingert over gravelpaadjes langs een klein riviertje. Het is een landschap dat op mij niet erg Duits overkomt. Het doet me veel meer denken aan het Noorden van Frankrijk, of de mooiere delen van Wallonië. Het is een fijn landschap, maar zoals meestal in Duitsland, moeilijk te fietsen. Het is zwaar, en slecht en vaak gevaarlijk ingericht. Dan heb ik ook nog eens een flinke tegenwind, dus de voortgang is matig.

Boven het land hangen zware wolken. Er komt zelden meer dan een paar spetters uit, en vaak breekt de zon door. Toch geven ze een sombere sfeer, een sfeer zoals het Waddengebied in het naseizoen zo mooi kan hebben. Het past bij deze reis, het past bij hoe ik me nu voel.

Later op de dag verdwijnen de wolken bijna helemaal. Het gravel maakt plaats voor slecht onderhouden asfaltweggetjes tussen eindeloze graanvelden. De wind lijkt nog verder aangetrokken, het tempo blijft laag. Halverwege de middag is m’n water op, en mijn energie eigenlijk ook wel een beetje. Euskirchen is het eerste stadje dat op de route ligt. Op het oude marktplein zie ik meerdere ijscafés, ik kies degene die er het meest Italiaans uit ziet. Een goede gok, want het is het beste ijs dat ik ooit geproefd heb. Ik meld dit op Twitter, en krijg een reactie van een twittervriendin die ooit ook in Euskirchen geweest is en zich alleen het ijs herinnert.

De graanvelden maken langzaam plaats voor beboste heuvels. Zowel mijn koers als die van de wind worden iets gunstiger. Wanneer het klimmen begint, voel ik weer kracht in mijn lijf. Het klimmen vertraagt minder dan de slechte wegen en de wind. Op de GPS zie ik dat ik een rivier nader, waar veel kampeerplaatsen zijn. Mijn dag gaat mooi eindigen.
Wanneer de grote afdaling begint, krijg ik het vermoeden dat het niet zomaar een rivier is. Na een paar haarspeldbochten en een lang recht stuk op hoge snelheid, herken ik het landschap. Dit is de Rijn.

Een paar kilometer rij ik langs het water, en dan is daar Remagen. Een prachtig stadje met een sfeervol waterfront vol terrasjes. Hier drink ik ’s avonds mijn eerste Weizener. Bij het Brauhaus, uit een glas zonder opdruk. Het is inmiddels donker en rustig. Op een bankje aan het water zitten twee jonge mannen aan een waterpijp te lurken. Hoewel het zondagavond is, komen er regelmatig schepen langs. Op kruipsnelheid van links, surfend op de stroom van rechts. Hun navigatieverlichting gloeit op boven het donkere water. Ik bestel een tweede bier en reken af. Ik zuig de stilte in mij op en loop terug naar mijn tent.

Fietsen langs een rivier gaat snel en gemakkelijk. De hoogteverschillen zijn klein, er kunnen maar van één kant zijwegen komen, en als je aan de goede kant zit, merk je zelfs daar niks van. Maar dit is Duitsland. Hier slagen ze er in om zelfs langs rivieren de fietspaden onhandig, gevaarlijk en traag te maken. Het wegdek varieert van slecht tot geheel afwezig, er zijn zijstraatjes en -steegjes die je niet ziet aankomen, je moet blinde hoeken om op niks af en dan zijn er natuurlijk nog de hekjes en paaltjes om te zorgen dat je focust op de hindernis in plaats van het overige verkeer.

Maar mooi is het. De Rijn slingert hier tussen steile groene heuvels, met overal mooie oude dorpjes. Om de paar heuveltoppen staat een kasteel of een ruïne daarvan. Over beide oevers loopt een spoorlijn. Op het water zijn altijd schepen in zicht.

In de loop van de dag worden de heuvels steiler en ruiger. De donkere wolken keren terug en maken de boven de rivier uittorenende kastelen nog indrukwekkender. En het zijn er zo veel. Ik weet dat de Rijn altijd al ongelooflijk belangrijk was voor de midden-Europese economie, maar dat zo veel kasteelheren en roofridders er op konden parasiteren, kan ik nauwelijks geloven. Net als toen ik vorig jaar een pelgrimsroute volgde, fiets ik hier met het gevoel de geschiedenis van mijn route totaal niet te kennen.

In Bingen is het tijd voor boodschappen en koffie. De stad blijkt eigenlijk te groot voor boodschappen; mijn fiets onbeheerd voor de supermarkt laten staan voelt onveilig. Maar het gaat goed. Direct tegenover de supermarkt is een ijscafé, waar ik een ijsje met aardbeien neem. In Duitsland heeft zo’n ‘Becher’ het formaat van een bescheiden lunch, dus ik kan er weer even tegen. De fietspaden mogen slecht zijn, met de Konditoreien en Eiskafés heeft Duitsland een uitstekende energie-infrastructuur voor de langeafstandsfietser.

Na Bingen gaat de route van de rivier af, vermoedelijk om Mainz te ontwijken. Ik kom door een mooi, grotendeels ruraal gebied. Het is een rustgevend landschap, maar ook hier is het vermoeiend fietsen. De lucht trekt weer dicht, er komt zelfs een klein buitje. Voor een regenjas is het alleen veel te warm, dus ik hoop gewoon weer op te drogen voordat ik van m’n fiets stap.

Ondertussen begin ik me zoveel zorgen te maken over mijn voortgang, dat ik niet meer naar het getallenscherm van de GPS scroll. De dag die ik kwijt was aan mijn wiel, de tegenwind, het gravel, de krankzinnige Duitse fietspaden, de ene vertraging stapelt zich op de andere. En mijn planning is weer ouderwets krap. Een planning die in de zwaarste epoxyhars gegoten is, uiteraard.

Als de afdaling terug naar de Rijn begint, is het weer wel beter geworden. Het hoge tempo geeft ook weer een beter gevoel. Alleen eindigt de afdaling bij een veerpont die net wegvaart. Nog meer vertraging. Terwijl ik wacht, kijk ik op de GPS en zie dat er maar één optie is voor overnachting, en dat is niet ver van de pont, aan de Riedsee bij Leeheim. Ik leg me er bij neer en arriveer even na half zeven op de camping. Het ziet er onguur uit, met hoge hekken en camera’s. Maar eenmaal op het terrein blijkt het mooi en rustig, met uitzicht over een klein meer. Het wordt een fijne avond. Ik ontmoet een ouder echtpaar dat dezelfde route fietst als ik, en twee piepjonge fietsers die een waterkoker met verlengsnoeren hebben meegenomen om hun eten te bereiden.

Het weer is al dagen een eigenaardige combinatie van warmte, korte regenbuitjes, periodes van felle zon die de regen verdampt, en dan weer zware bewolking die het land afdekt. Het resultaat is een nare, klamme warmte. Mijn fietskleding is de hele tijd nat van zweet dat slecht verdampt. De stof raakt vol met zout, dat water uit de vochtige lucht trekt waardoor hij altijd klam is. Alles voelt vochtig en vies, de hele tijd.

Als ik vertrek van de Riedsee, lijkt het de eerste kilometers beter te zijn, maar dan komen de wolken weer. En ook de moeilijke fietspaden en wegopbrekingen zijn al snel weer van de partij. Het lijkt weer zo’n dag te worden.
De Rijn heb ik nu definitief achter me gelaten. Hij wordt ingeruild voor de Neckar, een zijrivier die eigenlijk mooier is, omdat de heuvels en rotsen veel hoger zijn in verhouding tot het water. En ook hier mooie dorpjes, bijzondere steden zoals Heidelberg.
Opnieuw veel gravel en onverharde bospaadjes, maar het lijkt alsof ik er meer tempo op kan maken. Het is maar goed dat ik vier jaar terug voor een Chamsin heb gekozen, met de reizen die ik tegenwoordig maak heb je echt een gravelbeest nodig.

Na een koffiepauze met opnieuw een enorme hoeveelheid ijs, begin ik mijn tempo te vinden. De ergernissen over slecht wegdek, hekjes en onmogelijke bruggetjes glijden wat makkelijker van me af. In de laatste uren begin ik me één te voelen met het landschap. Beslommeringen van thuis verdwijnen naar de achtergrond. Zorgen over mijn tempo verdwijnen niet helemaal, maar ik merk dat ik er in slaag een goede inspanning te leveren.

Ik eindig de dag op een camping die even onvriendelijk overkomt als de vorige, alleen valt het hier veel minder mee als m’n tent eenmaal staat. Ik ben dan aan een zijrivier van de Neckar, de Kocher. Omdat het regenachtig is, ga ik het plaatsje in om te eten.
Het blijkt een eigenaardig dubbelstadje. Aan de overkant van de rivier is een mooi historisch plaatsje genaamd Kochendorf, waar niets te doen is. Aan de noordoever is het moderne Bad Friedrichshall, waar iets minder niets te doen is. Ik vind een Asia Imbiss in het moderne en een rokerige kroeg in het oude deel. Daarmee is mijn avond goed.

Opstaan en vertrekken gaat vlot, maar niet om de goede reden. Al weken heb ik last van een kriebelhoest, die nu zo heftig toeslaat dat ik moet overgeven. Verder gaan met ontbijten heeft geen zin meer. Half misselijk ga ik op weg. Vaak helpt dat wel, na verloop van tijd wordt de behoefte aan energie dusdanig dat mijn lijf de spijsvertering tot de orde roept en aan het werk zet.

En ook nu werkt het. Rond half elf krijg ik honger. Bij een Konditorei neem ik koffie met iets lekkers en haal een brood. Anderhalf uur later slaat de honger nogmaals toe en eet ik op een bankje het halve brood weg.
De route gaat over de oude Kochertalbahn. Ook in Duitsland zijn er oude spoorlijnen als fietspad gerecycled. In de eerste dorpjes staan er nog irritante hekjes bij elke kruising, maar naarmate ik dieper in het dal kom, wordt het pad steeds meer een doorgaande route. Hoewel nog steeds warm en benauwd, is er meer blauwe lucht.

Toch gaat veel eerder dan verwacht mijn waterzak leeg en moet ik pauze nemen. Toevallig fiets ik net langs een Konditorei waarvan de rolluiken half gesloten zijn, maar dat blijkt om de zon tegen te houden. Binnen is het redelijk koel. Ondertussen wordt het ook tijd om na te gaan denken over waar ik ga overnachten. Ik zoek wat rond op de GPS, en zie dat er maar één serieuze optie is. En die is op zestig kilometer hemelsbreed. Over de weg is dat al gauw zeventig of tachtig. Ik kijk op m’n horloge. Half vier. Ik kan dit. Heb dit vaker gedaan. Honderd is ook wel eens gelukt tussen half vier en zeven.

Zonder verder een minuut te verkwisten vul ik de waterzak en stap op de fiets. Ik neem enkele minuten om het tempo op te bouwen, zo verstandig ben ik tegenwoordig wel. Maar ik zet hem er flink tegenaan. Heel geconcentreerd draai ik de pedalen rond tot ik in de flow raak. Echte tijdrijderstrance is het niet, maar het grenst er aan.

De route is gunstig. Langs een riviertje en een spoorlijn. Door graanvelden, bossen. Soms over gravel, meestal asfalt. Het gaat stroomopwaart, dus het is vals plat en ik weet dat er een moment komt dat ik de vallei uit moet klimmen, op naar de volgende.
Die klim komt. De langste tot nu toe. In de zon, en zo steil dat hij in 39/32 moet. Ik doe hem met 12 hoogtemeters per minuut structureel. Een tempo waar ik heel blij mee ben. Ooit deed ik de Stelvio met 13, maar in de week daarvoor kwam ik zelden boven de 9. Nu begin ik op 12 m/min.

En al die tijd zingt de naam van de kampeerplaats door mijn hoofd. Donaucamping.

Als ik deze laatste drie uur goed rij, als ik geen pech krijg, sta ik straks aan de Donau. In vier dagen van de Maas in Limburg naar de Donau. Na alle tegenslagen en worstelingen is er weinig dat me meer kan motiveren dan die gedachte. De mooiste vrouw ter wereld kan me niet van de fiets af praten voordat ik daar ben.

Na de klim komt de afdaling. Maar het is geen snelle, zenuw- en remblokkenslopende afdaling. Het is een geleidelijke, waardoor je maximaal kilometers terugwint uit je hoogte. Het gaat door dunbevolkt gebied. Bossen, akkers, af en toe grasland. Enerzijds ziet het er aangeharkt uit, anderzijds voelt het alsof hier zelden een mens komt. Ik schiet er de mooiste foto van deze reis tot nu toe.

Het langzame afdalen gaat door tot ik Dillingen a/d Donau bereik. Als ik er doorheen schiet, lijkt het me een aangenaam stadje voor een rustdag. Ik heb dan nog geen idee van hoe mooi de oude binnenstad is.
Ruim voor zevenen arriveer ik. Er is een klein tentenveld vol fietsers. Het veld grenst aan de Biergarten, waar ze voor een klein bedrag een vegetarische maaltijd aanbieden. Mijn kookgerei blijft ingepakt.

7 reacties op “Tussen Maas en Donau

  1. Het is dus jammer genoeg niet alleen in het noorden van Duitsland dat de fietspaden brak, of eigenlijk de naam niet mogen dragen. Van de Rijn kan ik me herinneren dat die 20 jaar geleden op plaatsen al slecht of afwezig was, Wenig Fortschritt heisst dass glaub ich. Of is het fietsrouteboekjesmaffia die probeert de slechtste wegen te vinden, die zijn immers ook het rustigst, want de lokale bevolking mijdt ze ook.

  2. Niet alleen de fietsrouteboekjesmaffia, ook de fietsersbond met hun routeplanner weten mij in het fietsparadijs Nederland op de meest onmogelijke paden te krijgen. Maar dan moet ik de trike maar thuislaten. Volgend jaar staan Duitsland en Italie onder mijn drie wieltjes gepland. Dat wordt nog wat.

  3. Super leuk om te lezen, was er vorige week nog, erg warm inderdaad. Afgelopen april/mei nog met de fiets. Kwaliteit van de fietspaden valt inderdaad tegen en de route is lastig door het smalle rijndal waar weinig wegen lopen. Maar na vele keren de route naar Gemersheim gereden te hebben weten we nu een vrij acceptabele route, die gemixt over fietspaden en langs autowegen gaat (inclusief goed te negeren fietsverboden). Afhankelijk van de drukte kiezen we meer fiets of autowegen.

    Geniet ervan, veel succes en goede gezondheid gewenst!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Time limit is exhausted. Please reload CAPTCHA.