…en weer naar het Noorden

De tocht naar het kleine Noorden begon met een lange afdaling. Zo’n afdaling die snel gaat, maar zelden griezelig wordt. Een afdaling waarbij je de moeizaam gewonnen hoogtemeters omzet in heel wat horizontale kilometers. Waarbij je zelden je remmen warm maakt met de energie die ooit je eigen spierkracht was.

Het was ook een koude afdaling. Ik had op bijna 1100 meter hoogte overnacht, onder een heldere hemel en de zon had sindsdien nog niet veel gedaan. Het was een afdaling langs plekken die herinneringen opriepen aan een mooie wandelvakantie in de herfst, lang geleden, met mijn toenmalige vriendin. Het waren misschien niet dezelfde plekken waar ik nu langsfietste, maar het Cevennenlandschap heeft een bepaalde toon die je overal terugziet en telkens herkenning oproept.

De afdaling eindigt bij een stuwmeer. Hier wordt het zwaar. Ik begin nu aan de overstap naar ander riviersysteem, van het stroomgebied van de Rhône naar het gebied gedomineerd door de Loire. Ik moet een grote waterscheiding over en al snel zit ik weer boven de duizend meter.

Een paar bergpassen later bereik ik de bovenloop van de Allier, een zijrivier van de Loire. Van de heerlijke frisse kou van vanochtend is dan al niets meer over. Het is heet en dorstig, ondanks de hoogte.

Nog steeds heb ik geen moment spijt gehad van mijn keuze om naar het Noorden te gaan. Ook vandaag is de route vanaf de eerste meter bijzonder. Ik kom langs mooie plekken en uitzichten waar uitgezette routes een omweg van vele kilometers voor maken.

Er is een moment dat ik de rivier oversteek door een stokoude ijzeren vakwerkbrug terwijl tientallen meters boven mij de ruïne van een kasteel op mij neerkijkt. Direct daarna steek ik de spoorlijn over en ga via haarspeldbochten in de asfaltweg omhoog. Eeuwen geschiedenis komen samen op dit door geografie gedicteerde punt.

En ik heb ook niet het idee dat ik er een meter minder om klim. Lang niet alle, maar wel veel fietsers zullen het met me eens zijn: Het zwaarste klimmen zit niet in de grote, legendarische cols. Niet in de bergpassen waarbij je onderaan je verzet, je cadans, je inspanning kiest en vervolgens een verkapte tijdrit tegen de zwaartekracht rijdt. Het zwaarste klimmen zit in de kleintjes. De vergeten boerenweggetjes. De dorpsstraatjes in Italië. De uit hun krachten gegroeide verkeersdrempels van Farsund en Fosen. De gravelpaden waar Naviki je overheen stuurt omdat ze per ongeluk als B-weg in de database staan. Dat zijn de klims die je onderschat. Waar je steevast te laat de granny inschakelt. Waar je nooit je ritme vindt omdat je ruim voor die tijd alweer aan het opschakelen bent. Dat zijn de klims die je slopen en dat is wat de bovenloop van de Allier kenmerkt.

De weg volgt de rivier op afstand. Dat wil zeggen, de rivier loopt door het dal, de weg over de heuveltoppen. Daar zijn namelijk de dorpjes. En bij elke beek die vanaf de hoogte het dal in stroomt naar de Allier, duikt de weg naar beneden, om vervolgens weer omhoog te gaan naar het dorp dat er naast ligt. Het is niet moeilijk om te raden hoe deze topografie is ontstaan.

Ik ben verrast door het landschap. Had niet verwacht dat het zo adembenemend mooi zou zijn, met het bos, de uitzichten vanaf de weilanden op de heuveltoppen. De oude, stille dorpjes.

Tegen zes uur begint een klim naar het mooiste plaatsje van dit hele traject. Saint-Privat-d’Allier. Door een nauw zijdal klim ik omhoog, ga een haarspeldbocht door en fiets dan langzaam omhoog langs de rots waar hoog boven me een smal, hoog kasteel boven mij uitsteekt. Aan de voet van het kasteel is de haarspeldbocht terug en daar zie ik het prachtige dorp dat bij het kasteel hoort. Er is een kleine, eenvoudige maar prima onderhouden camping municipal dus ik wil niet verder.

Na het eten maak ik een wandelingetje en ontdek dat dit een pleisterplaats is voor pelgrims. Er zijn gites, goedkope maaltijden en andere voorzieningen voor wandelaars.
Wandelen. Wat is dat lang geleden. Bijna vijf jaar geleden alweer dat ik een meerdaagse wandeling deed. Met mijn toenmalige vriendin. Een andere dan die van de Cevennen.

Verloren liefdes. De herinneringen blijf ik maar tegenkomen deze reis.

Het zwaarste stuk is nu voorbij. De volgende ochtend moet ik nog één keer de hoogte over voordat ik afdaal naar een weg die meer op het niveau van de rivier blijft. Die afdaling eindigt bij een basaltformatie waar ik nogal van onder de indruk ben.

Het schiet nu een stuk meer op, maar dat gaat wel een beetje ten koste van het landschap. Het dal is lager, breder, drukker. Af en toe is er een mooi dorp op er hoge rots, maar halverwege de middag neemt ook dat af. Er is veel gepruts met de route, ik rij sinds Florac zonder track en dat wordt lastiger nu er snelwegen op de kaart verschijnen.

Ik ben blij als ik in Pont-du-Chateau het een dag kan noemen. Zin om te koken heb ik niet meer, dus ik fiets even het stadje in. Helaas blijkt dit zo’n arm stadje dat er afgezien van twee fastfoodtentjes en een ongezellig ogend hotel nergens te eten valt. Behalve op de camping waar ik net vandaan kom, en daar is de vegetarische keuze ook beperkt tot een pizza. Ik doe het toch maar, en het valt niet tegen. En bovendien is er wifi. Het lukt me om een track uit Naviki te peuteren, zodat ik wat meer ontspannen kan fietsen, en meer naar de omgeving in plaats van mijn scherm kijk.

De eerste stad waar de track mij langs voert, is Vichy. Een historisch nogal beladen naam natuurlijk, en ik betrap mezelf er op dat dit me afstoot, terwijl het ruim 70 jaar na dato natuurlijk ook gewoon een mooie Franse stad zou kunnen zijn. En dat blijkt ook het geval. Ik fiets tegen een park aan met prachtige overdekte promenades, en daarna kom ik bij een plein met een leuk terras. Ik neem koffie en maak op Twitter een paar nazi-grappen over Vichy, maar niemand kan er om lachen.

Na Vichy volgt een dunbevolkt traject van voornamelijk akkers en weilanden. Ook hier zitten weer kleine maar loeisteile klimmetjes in, die soms maar net lukken met de granny. Het is heet, koffie en water zijn nergens te krijgen en overdreven veel eten heb ik ook niet meer. Maar ik weet dat ik in elk geval Nevers ga halen die dag, waar ik de pelgrimsroute naar Maastricht zal oppikken. Het simpele feit dat ik weer een route met een duidelijk doel heb, maakt mij gemotiveerd en gedreven. Ik ga er gewoon heen, en snel, en als ik uitgedroogd aankom sluit ik mezelf daar wel aan op de waterleiding.

En dat is ook wat er min of meer gebeurt. Nogal dorstig bereik ik de brug over de Loire. Op de zuidoever zie ik de camping liggen, maar ik ben nog niet zover dat ik wil stoppen. Aan de overkant van de brug is de skyline van Nevers en die is te mooi om te negeren. Ik fiets door, kom per ongeluk langs een bar-tabac en heb ineens heel veel zin in koude Orangina. Na de eerste slokken weet ik dat ik hier blijf.

Alles is fijn hier. De camping, de rivier, de sfeer in het stadje. Ik besluit weer niet te koken, hoewel ik daar nu juist wel de energie voor heb. Maar ik wil dit mooie stadje beter ervaren en als m’n tent staat en ik weer fris ben, ga ik op zoek naar een restaurantje.

Nevers is Zierikzee is Dillingen a/d Donau is Enkhuizen. Een provinciestadje dat toen de wereld kleiner was, een belangrijke, machtige stad was. Maar toen hoofdsteden begonnen te domineren, kwamen ze in rustiger vaarwater. De oude grandeur bleef, de macht maakte plaats voor gemoedelijkheid. Ze zijn als die mooie vrouw die geen fotomodel meer is, maar haar stijl behoudt en daardoor een sexyness krijgt waar jongere sterren niet aan kunnen tippen.

Ik herhaal mezelf, ik weet het.

Troyes is nog mooier, weet ik van een eerdere fietstocht. Een fietstocht die ik maakte toen ik een korte maar intense liefde had. Alweer zo’n herinnering. Nog even en ik kan nergens meer fietsen zonder ze tegen te komen. Maar alleen de recente kunnen nog pijnlijk zijn, de rest zijn inmiddels vooral mooie herinneringen geworden.

Heel vroeg ben ik niet op weg, maar wel met een goed ontbijt in mijn maag. Ik neem de tijd om warm te draaien, en daarna zet ik hem er flink tegenaan. Voel nog wel wat in m’n benen van gisteren, maar de snelheid zit er in. Als het tijd is voor de eerste koffie, voor zonnebrand smeren en zelfs de zonnebril, zit ik hemelsbreed al halverwege Auxerre. Troyes lijkt mogelijk.

Ik ga er nu echt voor. De route wordt zwaarder en kronkeliger, maar dat is voor mij alleen maar een aanmoediging. Troyes. Het moet gewoon.

Rond twee uur ’s middags, na een paar stevige heuvels, kom ik eindelijk in een dal terecht dat lekker vlot door lijkt te fietsen. Maar dan, bij een splitsing, zie ik een wegwijzer die aangeeft dat Auxerre nog 51 kilometer ver is. De route kiest de andere tak van de splitsing.

Op zich heb ik het gevoel dat de autoroute niet sneller is; pelgrimsroutes zijn vaak ingericht op mensen die minder van klimmen houden dan ik. Maar ik rij hem wel in omgekeerde richting. En Auxerre ligt pas op 60% van de route naar Troyes. Meteen volgt er een stevige klim. Ik begin m’n vertrouwen te verliezen, maar niet mijn motivatie. Ik blijf mikken op Troyes.

Na de klim volgt nog een stuk vals plat, maar dan zit ik naast het kanaal naar Auxerre. Er zijn relatief weinig hindernissen en er komt een goed tempo in. Als de route tussen Auxerre en Troyes niet te zwaar is, kan het nog steeds.
Om half vier gaat mijn waterzak leeg, vlak voordat ik bij een café aan een sluis in het kanaal kom. Hoewel ik niet wil stoppen, besef ik dat het moet. Met deze hitte kan ik niet vier uur zonder water doorpezen. En een halfuurtje pauze win je gewoon terug op deze afstanden.

Maar als ik daar zit, met mijn koffie en mandarijntaart, besef ik dat het niet gaat lukken en accepteer dat. Het is veel verder en zwaarder dan verwacht. Ik had het moeten uitzoeken voordat ik het plan voor deze dag maakte. Ergens halverwege de twee steden zal ik eindigen, en dan heb ik anderhalve dag voor Troyes. Ook niet verkeerd.

Uiteraard blijf ik stevig fietsen. Maar in de buurt van Auxerre komen wegopbrekingen en tegenwind. Mijn laatste beetje hoop vervliegt. Auxerre als alternatief voor de rustdag zie ik niet zitten. Als ik er doorheen fiets, zie ik een prachtig waterfront, maar ik voel niet de mooie sfeer die ik me herinner van Troyes. Bovendien, het is nog niet eens vijf uur.

Als ik los van de stad ben, kom ik in een landschap van eindeloos glooiende akkers. De zon is gezakt en valt me niet langer lastig. De wegen zijn leeg en stil. De lucht is helder blauw met bijzondere patronen van witte wolken. Om kwart over zes arriveer ik in Ligny-le-Châtel, waar ik een heerlijke rustige avond heb. Troyes heb ik niet bereikt, maar het is goed zo.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Time limit is exhausted. Please reload CAPTCHA.