Nog één keertje naar het zuiden in de zomer. Ik wilde het heel graag. Ik wist dat de klimaatverandering hard gaat. Dat de kans op hittegolven toeneemt en dat je bij een wat uitgebreidere reis daar steeds vaker tegenaan zult lopen. Maar ook dat dit in de toekomst alleen maar meer gaat worden. Dus ergens had ik een ‘nu of nooit’-gevoel.

Dus deed ik het. En het ging soepel. Ergens halverwege Frankrijk kreeg ik berichten dat er een hittegolf in Frankrijk zou komen, maar dan zou ik al in de Alpen zitten. Ik maakte me geen zorgen. Net als bij de Tour de France zou ik er wel tussendoor fietsen.

Wat me bij de amateur-Tour zelfs letterlijk lukte. De officials bij de afzetting gaven me de keus tussen wachten op de bezemwagen en over de stoep fietsen. Ik koos het laatste, wetend dat de stoep na het dorp op zou houden, maar ook wetend dat ik die bezemwagen binnen de kortste keren toch in zou halen.

Nog voor het eind van het dorp zat ik in de meute. Ik zag dat de rugnummers opliepen richting de 15.000, zo veel deelnemers waren er kennelijk. En het onvermijdelijke gebeurde. Er waren veel mensen sneller dan ik, maar ook heel veel niet. Een beetje onopvallend rechts houden was er niet bij. Ik was bang dat het irritatie zou opwekken, maar het tegendeel gebeurde. Ik kreeg veel complimenten en aanmoedigingen, en af en toe maakte iemand een praatje. Eén van de wielrenners slaagde er zelfs in al rijdend een selfie van ons te maken.

Eigenlijk was het vooral heel gezellig. Na al die jaren alleen gefietst te hebben, was dit een erg leuke afwisseling.

Zelfs de afdaling viel mee. De weg was afgesloten, dus er waren geen tegenliggers of auto’s. Sommige fietsers namen belachelijke risico’s, maar over het algemeen ging het beheerst. Ik was inmiddels voldoende ‘ingedaald’ om zonder grote nervositeit hoge snelheden te rijden en de haarspeldbochten op een normale snelheid te nemen.

Ergens onderaan wijkt mijn track af van de route. Ik glip er tussenuit, langs een zeer boos kijkende agent die er uitziet alsof hij elke ochtend na het hijsen van de vlag salueert voor een borstbeeld van De Gaulle. Wanneer ik een koffietentje ontwaar, wil ik er heen rijden, maar dan begint hij te fluiten en ‘A pied!’ te roepen. Aanvankelijk doe ik wat hij zegt, terwijl ik hem met mijn meest smalende glimlach aankijk. Maar dan zie ik dat het wel heel vol is en keer ik om, glip door de afzetting, weg van de drukte. De agent kijkt alsof hij tot in het diepst van zijn gezag is gekrenkt.

De middag is voor de kleine Sint Bernhard. Geen moeilijke klim, wel een lange. En in de zon, maar het gaat. Ik heb een camelbak vol koel bergwater en daar red ik het prima mee tot de top. Het is nu weer bijna vreemd om in m’n eentje te fietsen. Het contrast is wel erg groot.

Ik bereik het oude klooster aan de top. Maar dan zie ik dat de klim nog even verder gaat en daar ben ik blij om. Mijn lijf is nog niet klaar met klimmen. Een teken dat het goed gaat.

Op de echte top neem ik koffie met een crêpe. Twee flinke bergpassen op één dag. Wat een verschil met de vorige keer dat ik in de Alpen was, toen liep ik bijna vast op de eerste col die ik deed, de Silvretta.

En opnieuw gaat ook de afdaling prima. Het is nog voor vijven als ik beneden ben. Ik zie op de GPS dat er rond Aosta een paar campings zijn, dus daar mik ik op.

Helaas wordt de omgeving steeds minder leuk naarmate ik verder kom. Er is een snelweg die een ruimtelijke ramp heeft veroorzaakt. Normale wegen lopen er op dood. Winkels, bedrijven en horeca zitten vrijwel alleen nog aan de snelweg. Dorpskernen zijn er niet echt meer, alles is uitgesmeerd langs de snelweg.

Van de campings blijkt er nog maar één te bestaan, en die is op de fiets vrijwel niet te bereiken dankzij de snelweg. Ik ben er pas om half acht.

Het blijkt een nogal luxe toestand. De camping is ook een pizzeria met veel gasten uit de omgeving. Het toiletgebouw is luxer dan luxe. Dit gaat wel wat kosten, maar ik vind dat ik dat wel verdiend heb.

Helaas kom ik er achter dat ik zowel mijn mok als mijn toilettas heb achtergelaten in Beaufort. Het vertrek was door de Tour zo anders dan normaal, dat mijn gebruikelijke routine heeft gefaald. Iets wat me vaker overkomt als dingen anders lopen dan gebruikelijk. Ik ben vaak geestelijk vermoeid als ik op reis ga, en dan zijn strakke routines een houvast. Mijn mentale energie heb ik nodig voor de reis zelf, dus alles wat op de automatische piloot kan, scheelt. En als het een keertje anders loopt, word ik warrig en vergeetachtig.

Maargoed, daar is niks aan te doen. Ik heb een reserve-lenzendoosje en er is hier vloeibare zeep in de doucheruimte, dus ik red me wel. Ik maak een boodschappenlijstje om het van me af te zetten en ga eten bij de pizzeria. Met prachtig uitzicht op de bergen.

Het wordt er niet meteen beter op, de volgende ochtend. Aanvankelijk rij ik over een fietspad langs de rivier, maar uiteindelijk loopt dat vast op een bergpaadje langs de snelweg dat ook met een kale mouintainbike op je rug niet te doen is.

Via moeilijke omwegen kom ik verder. Daarmee ook lager, tot aan de voet van de Alpen. En daar is de hittegolf ook. Die is niet in Frankrijk gebleven. Via Twitter krijg ik te horen dat Italië inmiddels ook waarschuwt voor extreme hitte.

Ik kom deze dag door, maar daar is ook alles mee gezegd. Met heel veel drinken, veel korte stops in de schaduw en af en toe een verkoelende afdaling. De hoogte opzoeken helpt niet, daar is het net zo heet. Maar het is er windstil en de hellingen zijn zo steil dat elke rijwind wegvalt. Het zweet stroomt langs mijn lichaam, spoelt zonnebrand vanaf mijn voorhoofd in mijn ogen.

Opnieuw arriveer ik laat, op een volle camping aan een meer. Ook hier een goedkope pizzeria en dat is maar goed ook, puf om zelf te koken heb ik niet meer. Het is een totale familiecamping. Naast waar ik zit te eten begint een kinderdisco, compleet met twee meisjes van de camping die de kinderen allerlei dansjes leren. Ik kom bij van een helse dag.

Ook langs de grote bergmeren is de hitte te veel voor mij. Het is er heet en druk en stoffig als ik er langs fiets. Dit is nu de derde dag dat ik in Italië ben, en ik ben nauwelijks een moment gelukkig geweest. Deze hitte is te veel voor mij. Ik begin naar het Noorden te verlangen. Het grote. Waar het koeler is. En stiller. Waar klimmen leuk is in plaats van een marteling.

Aan het eind van de middag eet ik ijs aan het Como-meer, in Gravedona. Ik heb hier ooit een leuke avond doorgebracht, maar dat gaat nu niet gebeuren. Het is hier veel te heet. Er is eigenlijk maar één mogelijkheid, en dat is de bergen in. De Splügenpas over, weg van die zuidkant van de Alpen die als een enorme zonnecollector hitte opvangen.

Maar dat is nog heel ver, en het is al vier uur ’s middags. Ik ga dat nooit redden, maar ik moet weg hier. Ik wil hier niet meer zijn. Inmiddels ben ik Italië gaan haten. Alles hier voelt verkeerd. Die veel te kleine kopjes koffie, die godsgeklaagd steile straatjes, die eeuwige pizzeria’s, dat ijs dat eigenlijk altijd tegenvalt. Alsof ik hier niet thuis hoor, alsof ik onwelkom ben.

Ik praat mezelf moed in, vul voor de zoveelste keer mijn waterzak en ga richting de pas.

Ik heb wind mee, en dat is de reden dat ik binnen een uur het lange vlakke traject afleg in de aanloop naar de pas. Wat dus betekent dat het al vijf uur is voordat ik begin aan de klim. Een klim van achttienhonderd meter.

Ik ben het stadje aan het begin van de klim nog niet uit of ik zeg in mezelf: ‘Ik kan dit niet.’

Doorgaan, denk ik. Het is mijn brein maar die het opgeeft, niet mijn lichaam. Ik wist dit toen ik ’s ochtends vroeg uit Delft vertrok, twee weken terug. Bij een bron stop ik, omdat mijn waterzak alweer leeg is. Na het vullen gooi ik een paar handen water over mijn hoofd en dan voel ik hoe heet mijn lichaam eigenlijk is. Dit is niet gezond.

Als ik het dorp uit ben, vlakt de klim, maar niet zoveel dat ik over kan naar mijn middenblad. Gelukkig komt er wel schaduw.

Ondanks alles slaag ik er min of meer in te genieten van de klim en de omgeving. Af en toe hou ik een paar minuten stil om mijn hartslag te laten dalen en naar het dal achter mij te kijken. Ik raak m’n GPS niet aan, ik wil niet weten hoe langzaam ik ga of hoe ver ik nog moet.

Het koelt af en ik ga gestaag. Maar de boomgrens is nog lang niet in zicht en ik voel dat de avond nadert. Als ik de pas al haal, wordt het vreselijk laat. De enige motivatie die ik nog heb is dat ik weg wil van de hitte.

En dan is er een dorp. Het bord geeft aan dat het even boven de duizend meter ligt. Dat wat ik niet wilde weten, weet ik nu toch. Ik ben pas op een derde van de klim.

Er zijn hier hotels en restaurants. Misschien moet ik verstandig zijn en hier stoppen. Ik kijk op mijn GPS en zie dat er over een paar kilometer ook een camping is. De beslissing is genomen.

Verder richting de camping zie ik dat het best een aardig dorp is. Dit is mijn zesde dag fietsen, op zich zou het prima zijn hier een rustdag te houden. Waarom niet. Het is hier minder heet en mijn lijf kan wel wat herstel gebruiken. En het zout uit mijn kleding wassen is ook wel aantrekkelijk.

Het blijkt een prima plek. Het tentenveldje is recht tegenover de bar annex receptie annex pizzeria. De bergwanden zijn hoog, er zal aan het begin en eind van de dag schaduw zijn. Hier ga ik rusten.

Ik ben zo stuk dat ik eerst een mok bouillon met extra zout maak voordat ik kan bedenken of dat ik zelf ga koken of dat ik van de pizzeria gebruik ga maken. Het wordt uiteraard het laatste en het smaakt me prima. Ik zit buiten, het is afgekoeld. Hier ga ik wel genoeg energie opdoen om over de pas te komen, in de hoop koelere oorden te vinden.

Het is beter dan beneden, aan de voet van de bergen, dat is zeker waar. Maar ook deze rustdag vlucht ik van schaduw naar schaduw. Wat verder prima is, veel meer valt hier toch niet te doen. Aan het eind van de middag vind ik een leuk café, en drink een paar glazen wijn. Maar voor het eten ga ik weer terug naar de camping. De andere pizzeria’s zijn dicht of spreken me niet aan.

Het begint te schemeren als ik mijn pizza heb. Als het donker is komen meer mensen om te eten. Anderen staan wat te praten, maar zonder te schreeuwen. De weg is stil geworden. Het wordt koel, ik trek een dunne trui aan. Ik zie en ruik de bergen. Ik heb een glas wijn en naast me staan naaldbomen. Er is eindelijk weer rust in mij.

Ergens die dag, bij één van de vele praatjes die je als fietser maakt, spreek ik het woord ‘Scandinavië’ uit.

De Splügenpas is zwaar. Het lag niet aan mijn vermoeidheid. Ook na de rustdag moet bijna alles op de granny. Het gaat goed en gecontroleerd, de uitzichten zijn prachtig, maar het is gewoon steil. Veel steiler dan ik had verwacht. Het wreekt zich nu dat het kleinste blad rond is, geen ovaal. Toen ik de fiets kocht, ging ik er vanuit dat de granny alleen voor noodgevallen was. Het middenblad zou het werkpaard zijn voor de bergen, dus die moest ovaal.

Tot nu toe klopte dat. Vijf jaar lang had ik bijna alles daarmee geklommen. Af en toe eens op een steil straatje of de moeilijkste honderd meter van een col ging de granny er voor, maar dat was het dan ook. Tot Splügen. Nu merk ik het verschil.

Zo rond tien uur zit ik op de 2000 meter hoogte. Het is bloedheet. Ik wil niet meer. Wat zal ik blij zijn als ik de laatste bocht door ben, het bordje zie en naar beneden kan. Die rijwind die eindelijk verkoeling brengt.

Ik neem niet eens de moeite om te stoppen als ik er eindelijk ben. Ook neem ik niet de moeite om iets aan te trekken voor de afdaling. Mijn shirt is doorweekt met zweet, maar laat die luchtstroom maar komen.

Het koelt, de harde rijwind op die natte lap. Maar beneden heb ik het nog steeds veel te heet. Ik drink koffie uit de zon, in de wind en dan is het wel te doen. Maar meer ook niet.

Daarna daal ik verder af. In Santa Maria Val Mustair ga ik de knoop doorhakken. Doe ik toch nog de Stelvio, of ga ik zo snel mogelijk naar de noordkant van de Alpen. Dit is de laatste keer dat ik hier in de zomer zal zijn, dus ik moet er echt even over nadenken.

Na enkele tientallen kilometers van afdalen over brede wegen, kom ik bij het dorpje waar de afslag naar Santa Maria is. Ik begin aan de klim. Het dorp uit. Langs een stukje bos en dan een weiland waar ik in volle zon, zonder een zuchtje wind, tegen de berg op moet.

Ik knijp in mijn rem en sta iets te abrupt stil. Ik kan dit niet.

Twintigduizend kilometers fietste ik door Scandinavië. Grote Alpencols deed ik met een brede grijns op mijn gezicht. Ik fietste de koudste Tweehonderd van Boekelo ooit. Maar deze tegenstander is sterker dan ik. In extreme hitte moet ik mijn meerdere erkennen.

Ik draai om, vul mijn waterzak bij de bron in het dorp. Kijk op de GPS en vind de fietsroute richting Chur, Liechtenstein en Vorarlberg. Dwars door de Alpen naar het Noorden. Op Twitter post ik: ‘Fuck it ik ga naar Scandinavië’.

De route is deels een prachtig maar lastig gravelpad. Deels strak asfalt langs de Rijn. Deels de saaie weg door het lelijke Liechtenstein. Maar veel maakt het allemaal niet uit. Ik ga als de brandweer en ben zielsgelukkig. Niet alleen omdat ik wegrijd van de warmte, richting het koelere Noorden. Maar ook omdat ik eindelijk weer een doel heb waar ik in geloof. Ik ga naar Scandinavië, en wel nu.