Reizen op de fiets is een aanslag op je geheugen. Niet dat je er vergeetachtig van wordt, het is meer een DDOS-aanval. Er zijn zo veel belevenissen en indrukken, je ziet, hoort en ruikt zo veel en voelt zo veel emoties, dat het geheugen het niet bij kan benen. Er zijn dagen waarop je meer beleeft dan in een maand van het dagelijks leven.

Het grote traject naar het Noorden was niet zo’n dag, maar zo’n week. Als ik ’s avonds probeerde wat aantekeningen te maken of door mijn foto’s bladerde, bleek een gebeurtenis die voelde als eergisteren, ergens halverwege de ochtend te hebben plaatsgevonden

En terwijl ik mijn uiterste best deed om al die mooie momenten vast te houden, raakte ik de grote lijn kwijt. Ik kan er geen verhaal meer van maken. Dus dit bericht gaat over een paar van die bijzondere momenten, zonder samenhang of rode draad. Maar ik denk dat ze stuk voor stuk bijzonder genoeg zijn om met jullie te delen.

De eerste nacht langs de Elbe bracht ik door nabij Meißen. Aan het begin van de schemering fiets ik naar het stadje. Ik zie een kathedraal hoog uitsteken boven de rivier. Dichterbij zie ik dat hij op een hoge rots staat, en niet alleen de kathedraal maar het hele middeleeuwse deel van Meißen.

Via steile straatjes met kinderkopjes rijd ik naar boven. Het is nog steeds warm en ik draag mijn gewone kleding, ik zweet meer dan me lief is. Via een straat met aan beide zijden een muur met kantelen, kom op het plein, waar het opmerkelijk rustig is voor wat toch een tourist trap moet zijn. Het is vrijwel stil hier.

De torens zijn ongelooflijk hoog voor het kleine oppervlak waar dit kleine stadshart op is gebouwd. Er is een hotel met biergarten, maar die gaat bijna dicht. Ik loop er toch een paar stappen naar binnen om even over de stad en de rivier uit te kijken.

Dan doe ik het licht van mijn fiets aan en rij weer naar beneden. Aan de overkant van de rivier vind ik een geopende biergarten waar ik uitkijk op de rots en de kathedraal. Ik laat rustig doordringen wat voor blik in de geschiedenis ik zojuist heb gekregen.

Mijn vorige verhaal schreef ik tijdens mijn rustdag in Wittenberg. Ik was daar aangekomen na een vermoeiende dag met veel regen en onweer. Ik had die rust nodig, maar de rust was ook erg effectief. De dag erna zet ik voor het eerst sinds Normandië weer een tweehonderd.

Wat me het meest bij is gebleven is het eind van die middag. Ik had besloten naar Gatrow te gaan, daar zou ik netjes voor zevenen aankomen. Dat ging natuurlijk niet vanzelf. Er zijn wegopbrekingen, onhandige fietspaden, verwarrende bewegwijzering. Maar m’n tempo is zo als het lang niet is geweest.

Het licht wordt zachter en ik merk dat het landschap verandert. En niet op een natuurlijke manier. Het zit in de bebouwing, de bomen, weilanden, de betonweg waarover ik de laatste kilometers fiets. Dan zie ik een betonnen bewakingstoren en dan besef ik dat dit het oude ijzeren gordijn is.

Die nacht slaap ik op een stille camping met een keuken bij het tentenveld. Er is een uit dikke boomstammen gezaagde overdekte picknicktafel. Hier eet ik, drink mijn koffie en later mijn koude ijsthee. Voor het eerst heb ik meerdere truien nodig. Ik kijk naar de sterren en voel de rust.

Door puur toeval land ik in Bad Segeberg, waar ik vorig jaar éen van de laatste avonden van de reis doorbracht. Ik eet weer in hetzelfde restaurant, gewoon omdat het goed was. Maar het is dit keer zaterdagavond, en er is een café open. Café Coma. Ik stap naar binnen en waan me in een film van David Lynch die een jolige bui was. Het publiek is even divers als uitgesproken. Iedereen is aangeschoten en men rookt als ketters. Ik ben geen groentje in het uitgaansleven maar dit heb ik nog nooit gezien. De inrichting en het licht maakt het af: Dit is filmisch tot en met.

Buiten trekt een stoet mensen langs met goedkope cowboyhoeden en klappertjesgeweren. Dit is de stad van Karl May.

Het bier kost bijna niks, maar na de tweede halve liter besluit ik toch af te taaien. Ik ga nog even naar de WC, maar beide zitplees zijn bezet en van achter de deuren klinken moeizame geluiden. Terwijl ik wacht stormt het flamboyante meisje van de avond naar binnen, pakt met beide handen de bovenkant van het kozijn, zet een voet op de deurklink en kijkt over de rand. ‘Heee, brauchst du noch was trinken?’ Ik ben te verbaasd om een foto te maken.

De dag dat ik weer bij de kust kom. Eckernförde is waar het gebeurt. Een typische Oostzeebadplaats. Een strand zonder getij, en het is allemaal wat sjieker dan aan de Noordzee. Het weer is wat grauwig als ik er ben, maar er zijn mensen aan het zwemmen.

Hoewel ik behoorlijk in mijn flow ben, stop ik om dit moment te beleven. Het is weken geleden dat ik de kust verliet, en sindsdien is er nogal wat gebeurd. Maar hier is de zee weer. De hashtag op Twitter van deze reis is #KustAlpKust en op dit moment heb ik hem waargemaakt.

Even verder zie ik iets wat ik nog nooit eerder zag. Een ophaalbrug met een enkele rijstrook die gedeeld wordt door twee richtingen wegverkeer én de trein. Ik moet wachten op zowel de trein als de auto’s van de andere kant en verbaas me over deze bijzondere constructie.

In Flensburg fiets ik langs een werf voor historische schepen. Een soort Koningspoort dus. Ik ruik hout, lijnolie en Stockholmer teer. En de zee. Mijn hoofd schiet vol met herinneringen aan mijn tijd bij de Trui, de botter van mijn studentenvereniging. Mooie jaren waren dat, en wat een avonturen heb ik beleefd met die boot. Ze werd gebouwd toen Aletta Jacobs studeerde en ik heb goede hoop dat ze nog in de vaart is wanneer ik dood en begraven ben.

Diezelfde avond kampeer ik aan de Oostzee. Als ik de straat oversteek sta ik aan het strand. Het is een typisch Scandinavische camping waar wel een keuken en zitgelegenheid binnen en buiten zijn, maar geen zwembad of kinderdisco. Met koude ijsthee en goedkope chocolade zit ik onder een heldere hemel. Het wordt koud die nacht. Ik slaap zo diep dat ik ’s ochtends minuten nodig heb om te bedenken wie ik ben, waar ik mij bevind en waarom. De Noordelijke rust waar ik zo naar verlangde, is er.

Bijzonder aan een fietstocht door dit gebied is hoe de heuvels steeds lager en schaarser worden, het land steeds vlakker en leger, en dan opeens is daar de strandwal en daar achter alleen nog de zee. Het is magisch en het is typisch voor dit deel van Denemarken en eigenlijk ook voor het grootste deel van het Waddengebied. Zeg maar dat deel van het Kleine Noorden dat door de Noordzee wordt beheerst.

Vandaag bereik ik de strandwal bij Hirtshals, de haven waar ik de boot naar het Grote Noorden zal nemen, naar Kristiansand, het land van de fjorden. Twaalf dagen geleden hakte ik de knoop door, besloot naar Noorwegen te gaan. En nu sta ik op de drempel.

Na kleding wassen, klein onderhoud aan de Chamsin, eten en koffie, loop ik naar de haven. De zon gaat onder, het waait flink want het waait hier altijd. Voor de derde keer in mijn leven zie ik de vuurtoren van Hirtshals uitkijken over zee. De veerboot van Colorline vertrekt richting Kristiansand. De veerboot die ik morgen zal nemen.

Sommige mensen zijn nu eenmaal gemaakt om naar het Noorden te fietsen.