Rivieren worden zijrivieren, zijrivieren worden beken, beken worden beekjes. Water voor water ga ik stroomopwaarts in het wortelstelsel van de Rijn. De Limes lag voor een forse lengte langs de Donau, dus ik ga een waterscheiding over naar die andere machtige rivier.

De Main wordt smaller, de heuvels steiler. Een stuk voorbij Aschaffenberg laat ik de Main los en volg de Erf. Ongemerkt begint het klimmen. Een enkele keer moet het middenblad er voor. De oorspronkelijke route is gemaakt voor mensen die niet van klimmen houden. Hij volgt me hier iets te vaak de hoofdweg. Ik word het vrij snel zat en kies een paralelle fietsroute door het bos. Een gravelweg die veel op en neer gaat, zonder autoverkeer en met veel schaduw. Een verademing.

Ook tussen zijrivieren van zijrivieren zit een waterscheiding. Aan het eind van de dag ga ik deze over en kom bij de Tauber, die ik stroomopwaarts volg tot Bad Mergentheim, waar ik een enigszins vervallen, maar prima functionerende camping vind. De receptionist verkoopt Herbsthäuser, het lokale bier van bijzondere kwaliteit. Ik drink het in mijn tent terwijl ik met één hand schrijf, er zijn te veel muggen buiten.

De eerste echte klim is die naar Rothenburg ob der Tauber. Hij duurt langer dan een paar ademteugen en moet op het middenblad. Hoewel dat laatste ook aan mijn matige conditie kan liggen. Het blijkt een prachtige middeleeuwse vestingstad te zijn, die helaas wel een tandje te touristisch is geworden.

De stad ligt strategisch op de top van een heuvel, vandaar ‘ob’ in plaats van ‘an’. Na de koffiepauze volgt dus een snelle afdaling, die bij een bruggetje abrupt wordt afgebroken, omdat ik hier de hoofdweg af moet om de Tauber verder te volgen. Bij het volgende plaatsje ga ik ook weer van deze weg af en volg een beek stroomopwaarts.

Ik kom nu in de haarvaten van het Rijn-systeem. De wegen en dorpen zijn klein, de route gaat verder omhoog door bossen en weilanden. Dan is er ergens een hoogste punt en ga ik weer grosso modo naar beneden. Ik ontmoet het eerste beekje van het Donau-systeem, het Froschbächlein.

Ook dit is iets wat het reizen op de fiets zo mooi maakt. Je ziet en voelt letterlijk hoe het landschap in elkaar steekt. Nooit eerder heb ik de overgang van het ene naar het andere watersysteem zo gedetailleerd ervaren als nu.

Het gaat vanaf nu in omgekeerde volgorde. Het Froschbächlein mondt uit in de Leimbach, en die weer in de Hagenbach. Ik fiets nu met het water mee, dus de kilometers komen gemakkelijker.

Het landschap vlakt af en dan fiets ik langs de Altmühl, een zijrivier die nog heel veel beken op zal pikken alvorens uit te monden in de Donau.

Maar dat punt bereik ik nu nog niet. Rond vijf uur kom ik aan in Gunzenhausen, een fijn klein stadje met een camping op loopafstand van het centrum. Het is de zesde dag fietsen op rij, dus de ideale gelegenheid voor de eerste rustdag van deze tocht. Alvorens bivak te maken, ga ik eerst nog even koffie drinken bij de bakker om alvast de sfeer van het stadje te proeven.