Bij de Donau zou ik moeten kiezen. Verder naar het oosten, om via Tsjechië naar het noorden te gaan, of juist westwaarts voor het Zwarte Woud. Ik had nog anderhalve dag om te twijfelen, want zo lang zat ik nog langs de Altmühl.

In die anderhalve dag werd de rivier interessanter. Richting Gunzenhausen was de omgeving steeds vlakker geworden. Wat op zich niet raar is bij een rivier. Maar nu gebeurde het omgekeerde. Ik kom zelfs in een zandsteengebied terecht, waar de Altmühl in de loop van vele millenia rotsformaties heeft uitgesleten die doen denken aan het Elbsandsteingebirge, zij het op veel kleinere schaal.

Aan het eind van de dag loopt de rivier tussen hoge heuvels. Ik arriveer in het plaatsje Riedenburg, waar ik bivak maak op een eenvoudige maar goed verzorgde camping met een veldje speciaal voor fietsers.

Ik merk dat ik moe ben. Fysiek, maar vooral mentaal. Vijf maanden coronastress en thuiswerken is niet weg met een weekje fietsen. Ik merk dat ik te veel van mezelf heb gevraagd, en te weinig nagedacht over mezelf, en over wat ik eigenlijk wil.

Hoewel ik me had voorgenomen vroeg naar bed te gaan, wandel ik daarom toch maar even langs de rivier naar het dorp. Het voelt er doods aan, alsof vrijdagavond niet bestaat.

Ik loop de brug over naar de andere helft van het dorp, en daar is dan toch wat levendigheid. Een groep jongeren houdt in een parkje een klein feest. Vermoedelijk illegaal, maar wie gaat er hier handhaven op vrijdagavond.

Ik zie een bord ‘Brauhaus – Biergarten’ en volg dat. Een weggetje tussen de bomen met nauwelijks straatverlichting. Het voelt alsof ik het dorp weer uit loop, het donker in.

En dan is daar toch weer licht. De biergarten is open, er zitten een paar groepjes mensen. Het voelt alsof de laatste ronde gaande is, maar dat is allesbehalve het geval. Het is gewoon rustig, dat is alles.

Bij de balie haal ik een glas van het lokale pils en ga zitten aan een houten klaptafel. Energie of inspiratie om te schrijven heb ik niet. Rondhangen op social media trekt me ook niet. In plaats daarvan staar ik voor me uit en begin aan het denkproces dat ik te lang had uitgesteld.

Als ik terug loop, heeft het feest van de jongeren zich verplaatst naar de andere kant van de brug. De muziek is harder en kitscheriger geworden. Coronaregels worden met voeten getreden. Ook in Duitsland zijn wetten niets waard zonder handhaving. Ik loop er met een boog omheen en ga naar de camping. Waar ik nog een mok koude ijsthee maak om verder te mijmeren.

Een kwartier voor de wekker word ik wakker. Ga naar de WC, drink een halve liter water. Dan zet ik de wekker driekwartier later en ga nog even slapen. Opnieuw word ik eerder wakker dan de wekker.

Op dat moment besluit ik tot een experiment. Ik ga een week zonder wekker leven. Er op vertrouwen dat ik van het licht en de ochtendgeluiden wel wakker zal worden. Een straf reisschema heb ik toch niet, en rust is wat ik nodig heb. Wie weet werkt het.

Terwijl het heet wordt in mijn tent, pak ik matje, slaapzak en kleding in. Ga buiten zitten aan de picknicktafel voor ontbijt. Ook daar is het al snel te heet.

Ik heb echt geen wekker nodig. De natuur gooit me wel uit bed.

Bij Kelheim bereik ik dan eindelijk de Donau. De overgang van Rijn naar Donau is nu af. Inmiddels ben ik er wel over uit dat ik naar het Zwarte Woud wil. Via Tsjechië zou betekenen dat het wel erg veel op het rondje van vorig jaar gaat lijken. En het gebied trekt mij.

Dat betekent dus dat ik de rivier stroomopwaarts volg, naar het westen. Hier loopt de D6, één van de Radnetz-routes die ik heb gedownload. Het eerste deel is meteen al een stuk afwisselender dan de Limes, omdat hij de rivier minder slaafs volgt.

Dit deel heb ik vorig jaar in omgekeerde richting gefietst, tot Regensburg. Waar ik de Donau toen als eerste bereikte, weet ik niet meer. Vermoedelijk in de buurt van Ingolstadt, die naam komt me zo bekend voor.

De stad zelf echter totaal niet, als ik er doorheen fiets. Zou het aan de rijrichting liggen? Of laat mij mijn geheugen me in de steek. Er is zo veel gebeurd tijdens die reis.

Aan het eind van de middag komen er dreigende luchten. Ze geven het landschap een andere sfeer, die mij meer aanstaat dan het zinderend zomerse waar ik inmiddels aan gewend was geraakt.

Wat natuurlijk niet onbestraft blijft, er komen een paar korte buitjes. Te weinig voor een regenjas, te veel voor een camera.

Ik eindig de dag in het prachtige Donauwörth, op de kampeerplaats van de lokale kanovereniging. De boel draait op vrijwilligers, is alleen toegankelijk voor mensen die op eigen kracht reizen. En het is op wandelafstand van de binnenstad.

Zou je zoiets nu nog kunnen stichten, in een wereld waar alle goede locaties worden opgekocht door het grote anonieme geld, vraag ik me af. Het is net als met de kleine culturele instellingen in binnensteden. Ooit kon dat financieel uit, maar nu is zo’n pand voor eeuwig verloren zodra een vastgoedhandelaar zijn kans ruikt.

Maar hier is het er nog, en het is er fijn. Ik zet mijn tent op aan het water en ga douchen.

Omdat ik bij de boodschappen vergeten was dat het morgen zondag is, loop ik naar het stadje en vind een pizzeria. Ik krijg een tafeltje aan de rand van het terras, hoog boven de zijrivier die hier in de Donau stroomt. Na het eten vind ik nog een plekje op een ander terras. Naarmate de avond vordert pakt het personeel steeds meer stoelen bij mijn tafeltje weg voor andere gasten, totdat ik met een enkele stoel aan het tafeltje zit. Het voelt een beetje komisch zo te zitten op een pleintje.

Tegen die tijd zijn de coronaregels overigens niet veel meer waard. Het personeel houdt vol met mondkapjes en registratie van gasten, maar er zitten groepen aangeschoten jongeren die het weinig meer kan schelen. Het beleid is hier duidelijk beter dan in Nederland, maar jongelui met alcohol zijn overal hetzelfde.

De wekker gaat niet. Ik weet niet precies hoe laat ik opsta. Neem de tijd om te ontbijten en een tweede mok koffie te drinken. Uiteindelijk lig ik op de fiets op een tijdstip dat laat zou zijn voor een normale tocht, maar dat dit jaar vrij gangbaar is.

De volgende dag zal ik wel degelijk een wekker nodig hebben. Maar ik kan dan nog niet raden hoe of waarom.

Drie jaar geleden hield ik een rustdag in Dillingen a/d Donau, de plaats waar Reitsma’s en de Donauroute elkaar kruisen. Ik heb er mooie herinneringen aan. Eind van de ochtend bereik ik het stadje en drink er koffie. Het is zondagochtend, erg levendig is het niet. Maar dat maakt niet uit. Het is goed om terug te zijn, het was zo’n plaatsje waarvan ik niet verwacht had het ooit nog te zien.

Tegen die tijd regent het al zachtjes. Ik had berichten gekregen over noodweer dat zou uitbreken, maar het leek nog niet ernstig. Wanneer ik verder ga, lijkt het ergste zelfs alweer voorbij.

Helaas. Zo makkelijk kom ik er niet van af. De regent komt terug en wordt langzaam sterker. Ik fiets in regenjas, mijn toptas zit in de hoes. Er zijn lichtere plekken in de lucht, maar die zijn nooit in de richting waar ik heen moet.

Ik passeer Ulm, een wat grotere stad. Ik ben dan al zo nat dat ik geen zin meer heb om te stoppen, om iets te eten, laat staan om koffie te gaan drinken. Doorgaan om warm te blijven in de hoop dat het beter wordt. Dat is wat er over is aan opties.

Maar het wordt niet beter. Eerst is er nog drie uur om westwaarts te fietsen. Wellicht ben ik dan onder het regengebied uit, en anders is drie uur best lang voor een bui.

Maar de route draait weer richting het donkerste deel van de hemel. Het begint er toch wel erg op te lijken dat ik straks in de regen mijn tent moet opzetten. En dat terwijl de campings hier niet echt voorzieningen hebben voor zwaar weer, zoals in Scandinavië. De kanovereniging had dat wel, maar dat is een uitzondering. Straks is er misschien niet eens een afdakje om onder te koken.

De route gaat omhoog, dwars door een stadje heen. Ongetwijfeld om redenen van sight-seeing, want benedenlangs had ook gekund. Ik ben te moe om zelf iets te bedenken en schakel naar het middenblad.

Het stadje lijkt me niet heel bijzonder. Beetje industrieel. Het dringt dan nog niet tot me door dat er daarom wellicht een betaalbare hotelkamer te vinden is. Voor mijn gevoel regent het te hard om te stoppen met fietsen.

Achter het stadje hangen wolken die nog veel donkerder zijn dan alles wat ik die dag had gezien. Bij de afdaling duik ik er in. Snel doorfietsen, dan ben ik er ook snel weer van af.

Maar ik raak er niet van af. De regen wordt zo sterk als ik maar een paar keer in mijn fietscarrière heb meegemaakt. En het is niet in een paar minuten voorbij.

Nu besef ik eindelijk dat ik een hotel nodig heb. Mijn tent gaat dit misschien net houden, maar het wordt een koude natte bende, koken is wellicht niet mogelijk en ik ga dagen bezig zijn om mijn spullen droog te krijgen en zelf te herstellen.

Het goede nieuws is dat mijn GPS blijft werken. De zoekfunctie levert “Rosi’s Dorfswirtschaft” op in het volgende dorp, vijf kilometer hemelsbreed.

Over de weg is het nog een stuk langer natuurlijk, en dan zet de regen nog weer even flink harder aan. Met mijn vermoeide hoofd vind ik na nodeloos geklungel het hotel. Drijfnat kom ik binnen.

Het gebouw is veel moderner dan de naam doet vermoeden. Enorm sfeervol is het niet, maar ik word uitstekend ontvangen. Ik kan maar matig uit mijn woorden komen. De bazin pakt het coronaformulier, het barmeisje geeft me een theedoek zodat ik mijn handen en gezicht een beetje kan afdrogen.

Er is zelfs een speciale fietsgarage. De bazin ziet mijn fiets en haar eerste reactie is ‘Das wird Spass machen, solch ein Rad!’ – dat maak je ook wel eens anders mee.

Een uurtje later zit ik, droog schoon en weer een beetje warm, aan tafel met een vegaburger voor mijn neus. Want ook dat is Duitsland. Zelfs in Rottenacker is er altijd vegetarisch eten beschikbaar.