december 2007. Eindelijk weer drie werkende fietsen
De Goden der Fietstechniek waren mij niet bijzonder gunstig gestemd de afgelopen maanden. Hoewel ik in alle eerlijkheid toe moet geven dat mijn offergaven ook wat beperkt waren.
Al een jaar was de luchtveer van mijn Hurri lek. De plunjer had aan het uiteinde een slijtageplek. Deze slijtageplek was een ondiep deukje geworden, en als de afdichting van de cilinder er overheen schoof, kon er lucht uitlekken. Als de veer op een lage druk stond, bijvoorbeeld vier tot acht bar, schoof de plunjer regelmatig heel diep in de cilinder, en verloor bij elke beweging wat lucht. Dit werd steeds erger, na verloop van tijd was het binnen enkele minuten gedaan met de druk.
Tijdens mijn fietsvakantie vorig jaar ontdekte ik dat ik dit kon voorkomen door de druk tussen de vijftien en twintig bar te houden. Niet dat hij dan helemaal niet meer lekte, ik moest nog steeds elke dag pompen, maar de fiets was zo wel berijdbaar.
Deze herfst hield het op. Ik kon pompen wat ik wilde, de druk was weg voordat ik het pompje had losgeschroefd. Het gat in de achtervork waar de veer aan bevestigd is, was door alle klappen ook nog eens uitgelubberd. Gevolg was dat ik niet alleen ongeveerd reed, ook raakte het riempje van mijn toptas het achterwiel en begon door te slijten.
Ik probeerde dus om de luchtveer uit mijn Hurri te schroeven. Dat viel tegen; één van de bouten zat zo vast dat als ik probeerde hem er uit te slaan, ik de bevestigingsplaat verboog. Ook kruipolie hielp niet, de bout bleef waar hij was.
Of dat nog niet erg genoeg was, mijn Speedplay X pedalen waren ook volkomen gaar. Het systeem is sowieso niet handig voor huis-, tuin- en keukengebruik met alle slijtagegevoelige onderdelen en de lompe koppelingen onder je zolen. Maar erger was dat de lagers niet goed meer zijn. In het begin had ik geen goede methode kunnen vinden om de lagers te smeren. Gewone vetspuiten zijn te grof om vet in het kleine gaatje te persen. De firma Speedplay verkoopt daarom speciale vetspuitjes, heel duur natuurlijk, en in Amerika verkrijgbaar in tientallen winkels.
In het begin probeerde ik daarom het vet met een schroevedraaier en een lucifer naar binnen te proppen, maar dat lukte blijkbaar niet erg en de lagers zijn heel hard gesleten in die eerste periode. Later vond ik een goede methode: ik zet een knijpflesje vet in een bakje warm water om het dunner te maken. Vervolgens knijp ik vet in een injectiespuit waarvan ik het mondstuk met een mesje heb aangescherpt. Dan stop ik het zuigertje in de spuit en pers het vet volgens voorschrift de lagers in.
Het vet lost het kunstrubber van het zuigertje langzaam op, je moet dus het zuigertje na gebruik er meteen weer uithalen en schoonmaken. Inderdaad, ik werk nu al een paar jaar met de tweede spuit, de eerste kon ik na eenmalig gebruik weggooien.
In ieder geval was bij mijn eerste Speedplay-set het kwaad reeds geschied, en hoeveel vet ik er nadien ook inspoot, de lagers kregen steeds meer speling, tot het moment dat het niet fijn meer reed. Op slechte dagen stonden mijn voeten zo wankel op de pedalen dat ik last van mijn beenspieren kreeg.
Treuriger dan mijn Hurri was mijn stadsfiets er aan toe. Dit was een wankele damesfiets die ik acht jaar geleden van een vriend gekregen had, omdat hij zich er aan ergerde dat ik helemaal geen fiets had en we dus altijd lopend naar de kroeg moesten. Toen ik in het andere uiterste verviel, bleef het een erg nuttige fiets, omdat niemand zo'n ding wil stelen, dit in tegenstelling tot een Hurricane. Voor boodschappen in de stad en bezoek aan filmhuis & café gebruikte ik de fiets altijd, ookal reed het ding verschrikkelijk. Het frame was te slap, de lagers volkomen versleten, de remmen matig. Het rammelde aan alle kanten, maar het reed en met een simpel slot erop wilde niemand het jatten.
Op een treurige avond, toen Aalke Lida hem geleend had om haar eigen Batavus niet bloot te stellen aan het dievengilde, viel de achternaaf uitelkaar en ze kon met de fiets aan de hand vanaf station Delft naar de Tanthof lopen. Vanaf dat moment hadden we samen nog één stadsfiets, en meerdere ligfietsen.
En mijn Jester reed onvermoeibaar verder. Er kan bijna niks aan stuk, en er gaat ook bijna nooit wat stuk. Goed, het is geen fijne stadsfiets, en naar mijn werk kan ik er geen andere kleren op meenemen dan een broek, een paar sokken en een trui of overhemd, maar met een paar schoenen in mijn bureaula kan ik me redden. Ik zat in de bizarre situatie dat ik zonder problemen op de fiets naar de andere kant van het land kon, maar de bus nam naar het centrum van mijn eigen dorp.
En vorige week hield zelfs de Jester er mee op. Het freewheel slipte door, zo ongeveer de lulligste manier waarop je stil kan komen te staan naast de weg.
Gelukkig was ik reeds begonnen aan het grote winteroffensief tegen fietspech. De kapotte luchtveer verwijderde ik door met de Metabo van Aalke Lida en een groffe boor alle materiaal rond de bout weg te boren. Dat werkte; na heel veel aluminiumkrullen weggeveegd te hebben, kon ik het oog van de luchtveer van de bout afwrikken. Maar daarmee was de bout natuurlijk nog niet weg; ook die moest ik letterlijk aan stukken boren om hem uit de achtervork te krijgen. Dat was één.
De tweede stap nam ik enkele weken terug, toen ik op een mooie vrijdagmiddag naar het centrum van Delft was gelopen om wat inkopen te doen. Ik had me voorgenomen om de trein terug te nemen. De trein?! Ja, zo treurig is het met het openbaar vervoer tegenwoordig in Delft. Als je vanuit het centrum naar Tanthof-Oost wilt, is het vaak de snelste oplossing om de stoptrein naar Delft-Zuid te nemen en dan een kwartiertje te lopen.
Onderweg bedacht ik me dat ik al wel heel lang aan het klooien was zonder stadsfiets, en dat ik gewoon een baan heb en dus geld op mijn rekening. Aangekomen in de binnenstad liep ik naar de Fietsenreus, waar ze wel eens redelijke tweedehandsjes hebben, en kocht een vrijwel nieuwe Union met drie versnellingen en trommelremmen. Zo. Veel fiets voor weinig geld. De komende jaren heb ik een stadsfiets waar ik niet naar om hoef te kijken. Waarom ik dat nog niet eerder had gedaan, is me een raadsel.
Vorige week bracht ik de Jester naar Kemper. In anderhalve dag was de naaf gerepareerd; er bleek een kogellager kapotgegaan. Challenge had de lagers op voorraad, die gingen meteen op de post. Een geweldige service van beide bedrijven. En zoals altijd wanneer John Poot mijn fiets onder handen heeft gehad, rijdt de Jester weer voortreffelijk.
Kemper had ook nog een oude veer-demper liggen die ik wel mee kon nemen voor mijn Hurri. Gisteren heb ik deze gemonteerd. In augustus had ik tweedehands een paar Titanium Speedplay Frogs aangeschaft, en een nieuw paar Lake fietsschoenen ter vervanging van het paar precies dezelfde schoenen dat na vijf jaar toch wat uit elkaar begon te vallen. De pedalen dus ook meteen maar overgezet en de bijbehorende plaatjes onder de schoenen geschroefd.
Daarna een testrit. Dankzij de herstelde vering rijdt de Hurri weer een stuk prettiger, en kan ik weer op fatsoenlijke wijze bagage meenemen. De pedalen kost wat meer moeite; het inklikken werkt anders en ze geven niet de enorme bewegingsvrijheid die X-pedalen wel geven. Voor mijn Jester zal ik daarom niet snel afstappen van X. Na twintig kilometer begonnen de Frogs gelukkig al aardig te wennen. Ik denk dat de verminderde kwetsbaarheid en vuilgevoeligheid uiteindelijk toch wel heel belangrijk zullen blijken voor de Hurricane.
Ik ga het nieuwe jaar in met drie fietsen die alle drie weer fijn rijden.
oktober 2007. Tweemaal Zeeland
Het herfsttreffen liep dit jaar een beetje in de soep. Op vrijdagmiddag vertrokken Aalke Lida en ik vol goede moed en met heerlijk nazomerweer richting Het Gooi. We deden rustig aan, maar helaas kreeg Aalke Lida toch weer last van de pees die haar al een paar maanden plaagde. Bij Alphen aan den Rijn besloten we de handdoek in de ring te werpen. Ik had geen zin om in mijn eentje verder te gaan, ik ging liever mee naar huis. We pakten de trein.
Heel jammer. Maarja, dat kan gebeuren met buiten spelen. Ik besloot om die zondag de schade in te halen met een rondje Zeeland. Mijn nachtrust was door schreeuwende buren niet bepaald ongestoord, waardoor het me niet lukte om vroeg op te staan. Even na elven vertrok ik. Ik had in mijn hoofd om een langer rondje te rijden dan normaal, maar met deze starttijd betekende dat wel dat ik flink door moest rijden. Ik had geluk bij de veerpont, ik was de laatste fietser die meekon. Het was mistig, een enorm zeeschip kwam als een spook langsvaren.
Richting Goeree-Overflakke reed ik redelijk snel, maar nam af en toe nog de tijd om een foto te maken. Naarmate de Brouwersdam naderde, kreeg ik meer het idee om te proberen binnen 2,5 uur bij het vakantiehuisje van Aalke Lida's oma te arriveren. Het was mogelijk, maar dan moest er erg hard gefietst worden.
Op de Brouwersdam reed ik zo snel mogelijk tussen de mist boven de Noordzee en die boven De Grevelingen. Nam voorrang bij de overgang over de autoweg, en met een Duitse suv hijgend in mijn nek schoot ik vol gas door de bochten naar de weg richting Renesse. Waar het mij nodig leek nam ik de complete weghelft, haalde auto's in en negeerde fietspaden. Tweeëneenhalf uur, het moest mogelijk zijn.
Ik naderde het natuurgebied tussen Renesse en Burgh. Een kudde ruiters was eveneens op weg naar het toegangshek, die mochten niet vóór mij aankomen, dan zou ik tijd verliezen aan het voorzichtig passeren van de paarden of erger, de op hol geslagen paarden. Het lukte net, de voorste ruiters zagen mij aankomen en hielden in. Daarna over het stoffige zandpad tussen de zondagsfietsers door, af en toe slippend, af en toe langzamer dan noodzakelijk.
In Burgh-Haamstede zag ik dat ik een halve minuut te kort ging komen. In de dorpsstraat passeerde ik de bestelbus die mij ophield, en moest vervolgens een flink gat trekken om nog te kunnen remmen voor de laatste bocht, de Haaymansweg op. Veel ruimte had ik niet over. Precies 2:30 na mijn vertrek schoot ik langs de ingang van het vakantieparkje.
Toen was ik wel een beetje moe. In beduidend lager tempo ben ik verder gereden naar de stormvloedkering, via Wissekerke en Colijnsplaat naar de Zeelandbrug gefietst. Volgens traditie at ik appeltaart bij Concordia in Zierikzee. Of het toeval is of dat ik er uit zag alsof ik wel wat energie kon gebruiken is me niet bekend, maar ik kreeg wel een zeldzaam grote punt.
Eenmaal terug op de Brouwersdam kreeg ik het idee om een snelle totaaltijd neer te zetten. Binnen acht uur, dat zou leuk zijn. Dan hoefde ik ook niet in het donker te rijden.
Het is gelukt. Na zeven uur en vijftig minuten was ik weer thuis. Geen idee hoeveel kilometer het was, maar 'twas een mooie tocht. En ik heb hard gereden.
Het weekend erop met Aalke Lida weer naar Schouwen gefietst, maar nu voor de verjaardag van haar oma. Op vrijdag rustig naar het vakantiehuisje gefietst, het was opnieuw prachtig weer, ietsjes herfsteriger. De pees hield zich gelukkig koest, zodat ook Aalke Lida kon genieten van een mooie tocht.
De ochtend erop naar de verjaardagslunch in Veere. Een kort stukje fietsen, we hoefden 'sochtends niet te haasten. Ik bedacht hoe prettig het is om een fietsend leven te hebben. Je neemt net iets meer tijd voor de dingen, hebt daardoor meer rust om van je omgeving te genieten. In plaats van heen en weer te haasten over snelwegen of treinstations ben je juist even weg uit de dagelijkse drukte.
De familie is er nog steeds niet helemaal aan gewend. Hoewel we al een keer eerder ligfietsend op oma's verjaardag waren verschenen, was het nu weer een grote sensatie. De fietsen moesten uitgebreid bekeken worden, de minst sportieve van de familie wilde wel eens op mijn lage racer liggen. Dat wij gekozen hebben voor een sportief, autovrij bestaan, blijft verwondering wekken. Het wil maar niet passen in het beeld van een volwassen stel tweeverdieners. Niet dat we vijandigheid ontmoeten, maar gewoon wordt het blijkbaar nooit.
Voor mij wordt het ook nooit gewoon. Fietsen hoort bij het goede leven. Fietsen is één van de dingen die het leven bijzonder houdt.
30 september 2007. Poef!
Vandaag heb ik de Jester weer eens uitgelaten. Sinds ik terug was van mijn vakantie in Noorwegen, had ik alleen nog op de Hurri gereden. Echt trainen, daar was ik nog niet zo aan toe. De bergtochten waren behoorlijk zwaar geweest, dus ik had twee weken nodig om bij te eten en wat extra te rusten. Maar vandaag moest het maar eens afgelopen zijn.
Aanvankelijk had ik het woeste plan om een rondje Oosterschelde te fietsen, maar daarvoor voelde ik me toch niet fit genoeg. Bovendien moest er nog het éen en ander aan mijn fiets gebeuren, dus ik was pas even na twaalven onderweg. Ik besloot een kort rondje langs Hoek van Holland te rijden. Altijd leuk. Het fietsen ging nog best aardig, maar ik was blij dat ik niet voor de 200 kilometer ging.
Bij Maassluis was ik opeens heel blij dat ik niet zo ver van huis was gegaan. Ik schakelde terug en *Poef!*, de buitenkabel van mijn achterderailleur ontplofte. Ik had opeens nog de keuze tussen een te grote en een te kleine versnelling. Oeps. Met een door het frame gevoerde kabel van ruim twee meter had ik opeens een paar uurtjes klussen in het vooruitzicht in plaats van lange trainingen door herfstige polders. Gelukkig heb ik de Hurri nog.
Juni 2007. CycleVision
Wat heb ik lang niet geliglogd. Schande. Terwijl er zoveel leuks is gebeurd op fietsgebied de laatste twee maanden. Hoog tijd om wat van de schade in te halen.
Ik begin bij het laatste evenement: Cycle Vision. Dit jaar niet in Lelystad of Zandvoort, maar in Amsterdam. Een kleinschaliger locatie, maar wel met veel wedstrijdmogelijkheden door de twee banen. Helaas zijn het allebei vlakke banen, dus de strijd tussen lage racers en velomobielen is van te voren beslist. In het circuit van Zandvoort zitten steile heuveltjes, en ik heb twee jaar achter elkaar gehoopt op een windstille dag waarbij het aerodynamische voordeel van een velomobiel in evenwicht zou zijn met het gewichtsvoordeel van een lage racer. Helaas is het daar nooit van gekomen; twee jaar achter elkaar windkracht zeven maakte de lage racers kansloos.
CV2007 werd dus ook weer een toernooi zonder klassestrijd. Persoonlijk maakte mij dat niet zoveel uit, ik had geen hoge verwachtingen van mezelf. De Jester had enkele technische probleempjes, na overleg met John Poot en Paul Voerman bleek de beste optie dat ik de vrijdag voor CV langs Challenge zou reizen, zodat mijn fiets weer helemaal in orde zou zijn. Dat is niet iets wat ze normaal zouden doen, maar aangezien ik anders op mijn Hurri de wedstrijden zou moeten rijden, werd een uitzondering gemaakt.
Vrijdagochtend stapte ik aldus met fietskar en al op de trein, en vond in Apeldoorn zonder al te veel puzzelen de firma Challenge. Na een kopje thee ging de fiets op de operatietafel. Het voorwiel ging er af om de lagers te vervangen. Het balhoofd kreeg ook meteen een beurt. Er kwam een nieuw stoeltje dat helaas nog niet gepoedercoat was, maarja, er moest gereden worden, met stroomlijnpunt en daarvoor was een nieuw noodzakelijk. Paul en Arjen keken ook nog naar remmen, de stroomlijnpunt ging er weer op, en toen had ik een piekfijne wedstrijdfiets.
Op de terugweg naar het station kreeg ik de indruk dat de fiets behoorlijk sneller was dan hij de laatste maanden was geweest. Kennelijk hadden het versleten lager en de daardoor aanlopende rem heel veel energie opgevroten. Het zou misschien toch meevallen met de prestaties.
De reis naar Amsterdam leek een drama te worden door falende treinen, maar het viel mee; de trein reed alleen niet verder dan CS. Probleem was dat ik alleen een routebeschrijving had vanaf station WTC. Gelukkig kruist die route de Staande Mastroute die ik al heel vaak met de Trui gevaren heb. Het beginpunt daarvan is vlak bij station CS, dus dat was snel gevonden. Ik volgde de grachten hardnekkig, hoewel dat niet altijd meeviel. Soms moest ik mij door woonerven worstelen of na een omweg over een groot kruispunt het water weer terug zien te vinden.
Niet dat het soepel ging toen ik eenmaal de Nieuwe Meersluis gevonden had, maargoed. Het lukte me om het wielerparadijs te vinden, alwaar ik werd begroet door Michiel Nieuwstraten. Snel de tent opgezet en afgesproken dat we onze ingrediënten zouden combineren tot een gezamelijke maaltijd. Het was warm, erg warm.
In de tussentijd kwamen ook Marcel en later Eelke aan. Zij zetten hun tent vlak bij de onze op. Eelke had twee vrij burgerlijke klapstoelen bij zich. Het hele weekend zou ik proberen de zitplaats van Eelke af te troggelen door opgestaan-plaatsjevergaan te spelen.
Ook Boi en JeroenE arriveerden. Het opzetten van hun tent had enige voeten in de aarde, hij was net nieuw en de gebruiksaanwijzing was niet bijzonder helder. Daarna lekker aan de kruidenthee, er moest de volgende dag immers keihard gereden worden.
Ik ging als eerste van start op zaterdagochtend, vanwege mijn lezing. Ik heb altijd enige tijd nodig om op gang te komen, en bovendien is het uur niet mijn beste wedstrijd. Bovendien is er bij de start iets raars gebeurd met de registratie, dus het is mogelijk dat er een rondje mist. Hoe dan ook, het officiële resultaat was een treurige 40,2 km/h.
De lezing ging beter. Ik had genoeg tijd om tussendoor even te douchen, gewone kleren aan te trekken en mij rustig voor te bereiden. Wat dat betreft is de nieuwe lokatie erg prettig, het is twee minuten lopen tussen baan en tent. Het onderwerp van mijn lezing was de fietsvakantie van Aalke Lida en mij langs de Waddenkust. Ondanks dat de aankondiging niet helemaal soepel verlopen was, had ik toch een publiek van zo'n twintig man. Enkelen kwamen zelfs omdat ze zelf van plan waren deze tocht te fietsen.
'sMiddags moest er weer geraced worden, eerst de 200 m vliegende start. Vanwege mijn lezing had ik niet te tijd gehad om in te rijden op het velodrome, de vijf rondjes van mijn poging waren ook mijn eerste rondjes sinds de winter. Het lukte me dan ook niet goed om bij het snelle rondje binnen de blauwe lijn te blijven, ik maakte teveel meters. Maar met een elfde plaats wel mijn beste CV-notering tot nog toe. Eén tiende seconde achter Ymte.
Het criterium op het Velodrome ging aanvankelijk voorspoedig. Vlak voor het ingaan van de halve finale kwamen Dennis Vermeij en ik tot de conclusie dat de finale haalbaar was voor ons. We gingen er dus flink tegenaan, na enkele minuten met z'n tweeën er vandoor, de middenmoot voorbij.
Criterium rijden met lage racers op een velodrome is tricky. Men gunt elkaar geen millimeter ruimte, crankstellen missen op een haar andermans achterwiel, soms vindt je kettingsmeer op je arm van een tegenstander. Het gaat gelukkig zelden mis. Maar dit keer wel. Op een moment dat er wel erg veel lage racers op een kluitje zaten, kon ik niet omhoog. Remmen gaat ook niet, dan lig je geheid beneden. Ik kwam iets te dicht bij Dennis, werd naar hem toegezogen en raakte zijn achterwiel. En daar lagen we allebei beneden. De wedstrijd werd afgevlagd. Dennis kon gelukkig verder, maar ik werd afgevoerd naar het middenplein waar ik naast een ander slachtoffer op het tapijt kon liggen om de splinters uit mijn been te laten trekken.
Gelukkig had ik mezelf niet voor avondwedstrijden ingeschreven. Ik kon daardoor rustig eten en naar spannende wedstrijden kijken zoals de strijd tussen Marcel en Eelke op de tandem en Jimmy op de Cobra. Lekker slapen zat er alleen niet in die nacht.
Zondagochtend kwam de wedstrijd waar ik lang naar uit had gekeken: het 100km criterium. De verwachting was dat deze wedstrijd door de snelsten in een kleine twee uur geklaard zou zijn, voor mij een tijd waarin ik goed op gang kan komen en aan het eind nog fut over heb voor een eindsprint. Mijn schaafwond was afdoende dicht om zonder problemen te kunnen rijden, dus ik maakte me op voor de start.
Het ging er meteen redelijk stevig tegenaan. Er ontstond een vrij groot peloton waarbij ik in de kop redelijk mee kon draaien. De voorste mensen liepen de hele tijd te neuzelen over kop wisselen maar gaven daar tegelijkertijd niemand de kans voor, dat was wel bijzonder. In ieder geval kwamen er alleen Questen en andere stroomlijnen voorbij, geen lage racers. Ik lag dus goed in de wedstrijd. Pas vlak voor het einde werd de groep gelapt door iemand op een Challenge NME. Helaas was dat ook het moment waarop de kopgroep nerveus begon te worden. Ik voelde me niet meer heel zeker vlak achter een groep die tegen elkaar aan begon te douwen, die steeds meer in tempo gingen variëren. Ik wilde er eigenlijk voorbij. Aan de andere kant had ik ook geen zin om te vroeg de eindsprint in te luiden, dat zou me geheid plaatsen kosten.
Anderhalf rondje voor het einde zag ik opeens twee achterwielen snel op mij afkomen. Zo snel dat ik het vermoeden kreeg dat er geremd werd. Ik raakte één van de wielen en daar lag ik. Als door een wonder kon iedereen achter mij me ontwijken.
Mijn elleboog lag diep open, mijn bil ook, maar ik had meer aandacht voor de ketting die naast het tandwiel lag. Ik moest door. In een paar seconden was ik weer verder. Maar wat trapte mijn fiets zwaar! Het wiel liep aan, was mijn conclusie. Hopen dat de band het uithoudt tot de finish. Ik werd ingehaald door Corinne, die mij toeriep aan te haken. Dat deed ik. Zodra ik achter haar hing, kon ik weer tempo maken. Kennelijk was er niks mis met mijn wiel. Later bleek dat het de kettingrandafschermer was die tegen de voorderailleur aankwam. We passeerden nog eenmaal de finishlijn, waar enkele mensen bezorgd keken naar mijn bebloede arm.
Toen de laatste ronde. Bij de laatste bocht kon ik me niet meer inhouden en sprintte Corinne voorbij. Toch nog een 28e plaats. Maar als ik naar de uitslag kijk, zie ik dat ik bij de vijf beste lowracers had kunnen horen. Best wel jammer. De LEL is de enige lange wedstrijd die ik dit jaar nog kan rijden. Mijn laatste kans dit jaar om te laten zien dat ik heus wel hard kan rijden.
Maar een prettige gedachte is dat ik op CV2007 harder heb gereden dan ooit. Vermoedelijk was dat ook de reden dat ik na de finish behoorlijk laconiek was. Eerst met allerlei mensen kletsen terwijl het bloed van mijn arm droop, rustig toezien hoe een ander verbonden werd. Na een minuut of tien voelde ik het niveau van de happy drugs in mijn bloed dalen, waardoor ik toch maar eens voorzichtig om verband begon te vragen. Nadat Marcel met z'n bidon de ergste troep uit de wond had gespoeld, werd ik door dezelfde dame verzorgt die de dag ervoor geduldig de splinters uit m'n kont had getrokken.
Het is nu begin augustus. De wond op mijn elleboog is bijna helemaal genezen.
6 mei 2007. Naar Zierikzee
Vorige zomer zijn twee van mijn vrienden overgeschakeld op de ligfiets. Maar om de één of andere reden lukte het niet om eens samen een stukje te gaan fietsen. Goede bedoelingen waren er genoeg, er werden principe-afspraken gemaakt, er werd beloofd te melen en soms werd er nog gemeeld ook. Maar een echte afspraak wilde maar niet lukken.
Tot dit voorjaar. Enkele weken terug was het eerste tochtje met Boi en JeroenE, de eerste helft reed Aalke Lida ook mee. En dit weekend reden JeroenE en ik naar Zierikzee.
Een mooie tocht. De ergste hitte en droogte van de afgelopen weken waren voorbij, de regen nog niet begonnen. De wind was al wel naar het zuidwesten gedraaid, waardoor we op de heenweg wind tegen hadden. Voor wat betreft het weer hadden we dus precies de goede dag uitgekozen.
In Zierikzee hebben we de traditionele appeltaart gegeten, en daarna met wind mee over de Schouwsedijk, de Brouwers- en Haringvlietdam terug naar Delft. In totaal hebben we iets meer dan zes uur gefietst, een lekker tempo.
18 april 2007. Fietsklussen in rouw
Gisteravond het treurige bericht ontvangen dat één van mijn oude bottervrienden overleden is. Arjen van Geijn, ook wel Arie, ook wel Aad, ook wel Van de Heuvel, ook wel Ankie, ook wel Sleurfeut. Weinig mensen die zoveel bijnamen wisten te verzamelen en weinigen die er zo smakelijk om konden lachen.
Vorige week zat ik met Trui op het Wad om een opleiding waddenzeilen te geven. Vijf jaar geleden gaf ik ook zo'n training. Twee weken lang. De enige die toen de volle twee weken aan boord is geweest, is Arie. Toen was hij nog maat-in-opleiding. Vorig jaar was hij reeds charterschipper op de Condor, een jaar later had hij al de sprong gemaakt naar een schip van 36 meter.
Met Arie heb ik het buitenkluiveren op Trui uitgevonden, lange avonden aan de bar gehangen, heel wat weken doorgebracht op de Waddenzee. Hij was erbij toen we voor de eerste keer naar Bremen voeren en bij de eerste keer dat de botter meedeed aan de Slag in de Rondte. Als Trui op de helling lag was hij altijd meerdere dagen aan het klussen.
Vandaag was er voor mij weinig beters te doen dan aan mijn fietsen klussen, in de hoop dat het wat afleiding zou bezorgen. Zowel de Jester als de Hurricane waren hard aan nieuwe onderdelen toe, beide fietsen waren nauwelijks nog te berijden. Maar fietsen uit elkaar slopen, wassen, poetsen en van nieuwe onderdelen voorzien kan ik aardig op de automatische piloot. En dus kon ik aan niets anders denken dan die lieve, ietwat lompe, deskundige en vooral gezellige platbodemzeiler. Hoe kan het toch dat iemand die zoveel vrienden heeft, zo goed zijn vak beheerst, zo'n groot deel van het jaar door kan brengen op zijn geliefde Wad, het niet meer ziet zitten?
De Jester was klaar en stond te glimmen in mijn kamer. Het grote voorblad was zó versleten dat hij haaientanden had. Nu liep alles weer mooi en soepel. Hij schakelde zelfs weer! Verder met de Hurri. De fiets die ik vier jaar geleden net nieuw had, waar ik apetrots op was. Een goed weekend in mei had Arie de botter gehuurd en mij als schipper gevraagd. Op mijn vrije vrijdag was ik naar Enkhuizen gefietst, in iets meer dan vijf uur. Prachtig weekend gehad met Arie en zijn vrienden. Naar Hoorn geweest, feest gevierd, een corpsjaarclubje uitgelachen die op een charter vlak naast ons zaten. Die nacht hebben Arie en Peter nog een kleine ramp voorkomen. Een aantal schepen was door vandalen losgegooid, en zij slaagden er in ze weer min of meer vast te leggen en de schippers te wekken.
Zelfs aan mijn fiets kleven herinneringen aan die jongen.
De laatste keer dat ik hem gezien heb, was in januari op Terschelling, na mijn mooiste fietstocht ooit, een tocht die ik ook op liglog beschreven heb. Anderhalve week terug belde ik hem nog, we voeren richting Harlingen en ik hoopte dat we hem nog ergens tegen zouden komen met z'n schip. Dat kon niet, hij lag nog in Rotterdam. "Volgende keer beter" zeiden we.
Lieve Arie, het zal heel, heel lang duren voordat ik weer kan botteren, op het Wad kan varen, naar Friesland of het Zuiderzeemuseum kan fietsen zonder aan jou te denken.
2 februari 2007. Voorbereidingen wedstrijd
Oplettende lezers herinneren zich wellicht dat ik me voorgenomen had om mijn stroomlijnpunt te repareren vóór de eerstvolgende wedstrijd. Wel, dat is gelukt. Vandaag heb ik nieuwe beugeltjes in de vorm van lange strips gemaakt en aan de punt geschroefd en gelijmd.
Op de linkerfoto is zo'n strip te zien. Ik heb ze gemaakt van aluminium hoeklijn. Het was vrij veel werk om ze in de juiste vorm te knippen, en ze daarna zo te buigen dat ze aansluiten op de rare, dubbelgekromde vorm die een stroomlijnpunt heeft. Op de rechterfoto zie je de strip na het buigen. Vervolgens heb ik ze met tweecomponenten PUR-lijm en boutjes vastgezet. In een ongekend staaltje zelfdiscipline heb ik de boutjes zelfs op de juiste lengte afgezaagd om een gram te besparen (en verwondingen te voorkomen als ik er met mijn handen tussen graai zonder iets te kunnen zien).
Vervolgens nog even de fiets schoongemaakt. Vorige week heb ik een nogal barre tocht gemaakt, en daarbij een hoop modder opgepikt. Misschien dat ik deze week nog even tijd vind om daar iets over te schrijven, anders moeten jullie het maar doen met de info dat het ruim 200 km was, koud, nat en erg mooi.
Morgenavond nog even een bandje plakken, de boel smeren en alles in elkaar zetten. Ik verheug me op de wedstrijd.
13 januari 2007. Kartbaanrace Breda.
Donderdagmiddag even wat onderdelen gehaald bij Kemper Fietsen. Een nieuwe voorderailleur en nieuwe remblokjes. Voor de zekerheid ook maar een kabeltje meegenomen, mijn achterderailleur werkte niet soepel. Vrijdagmiddag alles d'r op gezet nog getwijfeld over een proefrit. Ik besloot het niet te doen, ik had een vermoeiende week achter de rug met teveel nieuwjaarsborrels en teveel klussen aan websites. Het plan was om vrijdagavond naar Rembrandt en Marieke te gaan, en daar te overnachten voor de wedstrijd. Dus ik zou nog wel een paar kilometer rijden om de blokjes in te remmen en de versnellingen fijn te stellen.
Even voor zevenen ontmoette ik Michiel op station Delft. We namen de intercity naar Breda. Vanaf dat station was het nog vijf kilometer fietsen. Halverwege merkte ik dat het schakelen beroerd ging. Door het rubber van mijn handgreep voelde ik de buitenkabel naar buiten steken. Niet goed.
Rembrandt en Marieke hadden een fijne hartige taart te eten. Veel gekletst over de Ligfiets& en andere ligfietsroddels. Na de koffie en de appelflappen werd het toch echt tijd om naar m'n fiets te kijken. Het buitenkabeltje bleek over een paar centimeter geknikt, maar er zat ruimte zat in om hem in te korten. Na het nodige gepruts was dat gelukt, alleen wilde de binnenkabel niet meer terug er in. Gelukkig had Rembrandt nog een oud kabeltje liggen dat nog niet uit gerafeld was, en dat wilde er wel in.
Bij het proefdraaien bleek het te schakelen, alleen liep de achterrem wel heel erg aan. Ook niet goed. Eén van de zuigers wilde niet goed terug. Gelukkig wist ook hier Rembrandt raad; met een spuit remolie spoelde en poetste hij de cilinder af. Het werkte. De remcilinder gleed weer soepel terug. Het was bijna half twaalf, mijn fiets was klaar voor de wedstrijd. Ikzelf had nog wel een goede nachtrust nodig als voorbereiding op de wedstrijd, dus kort daarna gingen we allemaal slapen. Ik kan me nauwelijks herinneren dat mijn hoofd het kussen raakte.
Om vijf over zeven ging de wekker, om kwart over zeven slaagde ik er in uit bed te komen. Ik zat als een zombie aan het ontbijt, maar daarin heb ik dan ook een reputatie hoog te houden. Het was al bijna helemaal licht toen we de deur uit gingen, maar het was slechts vijf minuutjes naar de kartbaan. Daar snel de bagagedrager en spiegel van m'n fiets gesloopt en toen was het tijd om in te rijden.
Het voelde heel raar. Ik merkte dat ik te weinig gereden had op de Hurri, en dat de afgelopen week mijn conditie niet goed had gedaan. Na een paar rondjes ging het wel vrij hard, maar het voorwiel voelde raar en neigde tot slippen op momenten dat het niet hoorde. En het schakelen ging maar matig. In de tijdtraining lukte het me ook niet om echt voluit te gaan, er was iets heel raars waardoor ik niet op de juiste snelheid de bochten in durfde. Ik maakte ook nog een flinke schuiver, maar dat hoort bij de tijdtraining.
Het resultaat was vrij slecht. 38.6 s. Vorig jaar had ik hem nog onder de 38 gezet. Gelukkig was het net genoeg voor een vierde plaats, zodat ik de finale in kon. In de voorronde reed ik na vijf rondes de pits in. Het ging niet. M'n voorwiel bleef maar wegdribbelen. Een beetje rammelen aan m'n fiets toonde wel erg veel speling. Een deel zat in het voorwiel (niks aan te doen), een deel in het achterwiel (niet ter plaatse iets aan te doen), een deel in de achterbrug (wel iets aan te doen!) Pieter van Oosten kon mij een sleutel 13 lenen, zelf had ik een imbussetje bij.
Bij een Hurri kun je de achterbrug bijstellen door de borgmoer van de zwenkas los te draaien, het hou-de-ketting-op-de-geleiderol-flupje opzij te draaien, en dan met een imbussleutel de zwenkas aan te draaien. Daarna borgen met de moer en het hou-de-ketting-op-de-geleiderol-flupje terugdraaien.
Na afloop van de voorronde maakte ik twee proefrondjes, en na drie bochten kreeg ik opeens heel veel zin in de finale. M'n fiets reedt weer bijna net zo strak als anders. Schakelen wilde niet meer, maar ik kon weer hard en soepel door de bochten.
Het werden wel zware finales, twintig minuten. Dat was niet gunstig, dat betekende dat mijn gebrek aan conditie zou opspelen. De slakkenfinale was een spectakel om te zien. Guus moest helaas afhaken, in de voorronde was hij ongenadig hard onderuit gegaan, de wonden op zijn bil en elleboog maakten dat het rijden echt niet leuk meer was. Edgar was ook al uitgeschakeld met een lekke band. En dan waren er natuurlijk de nodige valpartijen.
De hazenfinale ging aanvankelijk heel aardig. Jimmy en Naan reden hard weg, daar kon ik niet achteraan. Mijn derde plek zou ik misschien vast kunnen houden, alleen had ik Peter Lembregt in mijn zog en dat vertrouwde ik niet. Verder was er weinig concurrentie. Het viaduct was alleen vrij zwaar, zonder versnellingen en met net te weinig energie in m'n lijf. Langzaam maar zeker voelde ik de druk van Peter toenemen. Ik werd nerveus, nam een S-bocht verkeerd en Peter was me voorbij. Helaas kwam ook het jonge talent Pieter van Dyck langszij. We raakten elkaar op de een of andere manier en daar lag ik. Snel weer op de fiets, en de schade herstellen. Ton Valk, die ik net gelapt had, zat weer voor me en dat is een notoir irritant persoon om in te halen.
Iets van drie minuten voor het eind van de wedstrijd, ik was Ton voorbij, had ik kennelijk te weinig concentratie over en schoof in een makkelijke U-bocht onderuit, toen Jimmy mij inhaalde. Hij knalde tegen mij op, moest even z'n stuur rechtzetten, en toen waren we allebei weer op weg. Ondertussen was ik ingehaald door Hans Wessels. Niet goed. Ik wilde hem terugpakken, maar het gat werd te langzaam kleiner. De bel voor de laatste ronde ging, ik gaf het op. Tot mijn verbazing werd ik nog niet afgevlagd, er was nog één rondje over om Hans in te halen. Kansloos natuurlijk.
Totdat Hans dertig meter voor de finish ging liggen. Ik wist hem te ontwijken en gebruikte de laatste meters om Ton voor de derde maal te lappen, en dit keer definitief.
Ik had al met al niet zo goed gepresteerd. Volgende keer moet ik veel en veel beter aan m'n fiets klussen. Alle speling eruit, en als er iets een beetje hapert, niet aarzelen maar vervangen, desnoods het ding naar Kemper brengen. En meer en beter trainen. Nieuwjaarsborrels mijden als de pest. Meer pasta eten. De computer de hele week tevoren niet aanzetten en alle leuke boeken uitlenen. Ik weet dat ik die baan onder de 37 seconde moet kunnen rijden.
En toen nog terug. Daniëlle en Hans wilden naar Dordrecht fietsen, Michiel en mij leek dat wel aantrekkelijk. René reedt ook mee. Het was erg lekker weer, grauwe lucht, en een lekker frisse, harde wind. Een beetje warm alleen. Dood aan het broeikaseffect. Na ons een uitweg gevonden te hebben uit de industrieterreinwoestenij van Breda, zaten we in het open land. Langs allerlei leuke dorpjes en polderweggetjes reden we richting het Hollands Diep. Een deel kwam mij bekend voor van een fietstocht die Aalke Lida en ik anderhalf jaar terug in de herfst hadden gemaakt, van Delft naar Eindhoven. Het was onze eerste lange fietstocht; in alle jaren daarvoor hadden we nooit met z'n tweeën meer dan honderd, honderdtwintig kilometer op een dag gereden.
De oversteek van de rivier was prachtig. Ver uitzicht, ruw water, een handvol binnenvaarders aan de horizon. De monding van de Dordtse Kil.
Ergens onderweg begon m'n ketting toch wel heel moeilijk te doen. Steeds meer draadjes van de kabel van m'n achterderailleur braken, met als gevolg dat de derailleur langzaam maar zeker omhoog schakelde. Met een beetje hulp van Hans zette ik hem ergens halverwege; niks meer aan doen. Meteen draaide ik het hou-de-ketting-op-de-geleiderol-flupje terug, zodat dit niet meer tegen de ketting aan liep. Grumble.
Het leek ons een goed plan om even bij Maia langs te gaan. In het caféetje dat in dezelfde toren gevestigd is, wordt uitstekende espresso en appeltaart geserveerd, dus dat kwam goed uit. Vanaf onze tafel hadden we uitzicht op de polder. De weilanden hadden een diepe kleur groen, bij de dijk een rij kale bomen. In de wolken zaten allerlei felle grijstinten die heel mooi contrasteerden met het groen. Ik baalde dat ik mijn camera niet bij me had.
Na de koffie hebben we nog even bij Maia gekletst, en toen was het tijd om naar huis te gaan. Daniëlle en Hans fietsten door naar Rotterdam, Michiel, René en ik namen de trein. Geen zin om Rotterdam te doorkruisen, en al helemaal niet zonder kaart.
Een zeer geslaagde dag, alles bij elkaar. Mijn gepruts en matige prestaties waren misschien een dompertje, maar het rijden op de baan, de terugtocht en vooral de gezelligheid met de andere liggers maken dat ik dit alles met een grijns op het gezicht zit in te typen.
6 januari 2007. Naar Terschelling.
Dinsdagochtend, om tien voor zeven reed ik weg uit de Tanthof. Het was nog hartstikke donker, voor zover dat bestaat in de Randstad. Ondanks de voorspellingen regende het niet. De beloofde wind stond er wel. Na een paar honderd meter kwam ik er achter dat ik geen tijd bij me had, dus ik keerde toch maar even terug om mijn hartslagmeter te halen. Ik moest om 19:50 de veerboot halen, en ik wilde daarom toch een beetje de tijd in de gaten houden onderweg. Uiteindelijk was het net geen zeven uur toen ik definitief onderweg was.
De eerste tien kilometer van een fietstocht vanuit Delft zijn meestal wat minder geslaagd. Alleen als ik via Schipluiden naar het zuiden ga, zit ik meteen in het open land. Maar nu moest ik naar het noorden, dus zat ik eerst tussen de kassen en bedrijventerreinen. Bij Zoetermeer kun je de weilanden in, alleen is het leuke fietspad op het boezemdijkje al een half jaar afgesloten wegens slecht wegdek. Dat slechte wegdek was er al jaren, en ik had het prettig gevonden als de gemeente het had gerepareerd, in plaats van alleen hekken te plaatsen. Dus ik kon alsnog op het industrieterrein tussen de vrachtwagens slalommen. Goed.
Het is lang geleden dat de windgoden mij gunstig gezind waren, maar nu was het toch zover: de vijf Beaufort stonden in de rug. Via Moerkapelle en Waddinxveen reed ik naar Boskoop, en pas voorbij dat dorp begon het licht te worden. Na Bodegraven was het zover dat ik zonder licht durfde te fietsen. Het ging allemaal wel heel vlotjes. Ik begon met de gedachte te spelen dat ik misschien wel een veerboot eerder zou kunnen nemen, hoewel dat waarschijnlijk een sneldienst zou zijn die geen fietsen meeneemt. En twee boten eerder was toch wel een tikje onrealistisch.
Ik nam het slingerende weggetje langs de Meije, waar het waterpeil precies even hoog als de weg lijkt te zijn. Eén van de mooiste stukjes van het Groene Hart. Op andere dagen en tijdstippen is het hier vergeven van zondagsrijders en brommers, maar nu kwam ik slechts een enkele auto tegen.
Bij Woerdens Verlaat begon het grote vreten, de couscous van die ochtend was kennelijk op. Ook begon het serieuze regenweer, met korte, maar wel steeds fellere buien. Op dit soort tochten is dat irritant, omdat het eten bemoeilijkt. Met handschoenen is het al lastig om boterhammen uit een zakje te halen, en als dat zakje dan ook nog eens achter een rits zit, gaat het gewoon niet meer fietsend. Aan de andere kant wil ik dan ook niet teveel en zeker niet te lang stoppen, omdat mijn knieën dan koud worden. Bovendien komt alles onder het zand te zitten en dat eet ook niet fijn.
Na mijn regenjasje te hebben aangetrokken snel wat boterhammen naar binnen geduwd, en verder richting Vinkeveen en Baambrugge. Ik had geschat dat ik rond de middag in Flevoland zou moeten zijn om de veerboot nog met enige marge te kunnen halen. Het was nog voor tienen toen ik langs het Amsterdam-Rijnkanaal reed. Onder de brug bij Driemond nam ik daarom enkele minuutjes om verder te eten. Het ging gemakkelijk lukken. Zolang mijn fiets niet kapot ging, zou ik zelfs nog alle tijd hebben om ergens iets te eten voor ik aan boord ging.
Om half elf precies reed ik van de brug af. Ik was in Flevoland. De veerboot zou geen probleem worden, eerder moest ik bedenken hoe ik de tijd door zou komen voor vertrek.
Het fietspad over de Oostvaardersdijk is een van de zeer weinige positieve punten van Flevoland. Maar een tochtje over deze dijk mag er dan ook wezen. Tussen de buien door was het vrij helder, ik had uitzicht op Pampus, op het Paard van Marken. Rechts keek ik uit over de Oostvaardersplassen. Vlak bij Lelystad zag ik zelfs een Tjalk zeilen, plat voor het laken, met de vlerken gespreid.
De wind was zeer gunstig. De Jester vloog over de dijk. Voor twaalf uur zou ik in Lelystad zijn. Verder bleef het wel grafweer, en bij de Blocq van Kuffeler kreeg ik ook nog eens een lekke band. Gelukkig is hier een bezoekerscentrum met een luifel over de ingang, waaronder ik rustig kon plakken. Er stopte een auto, de inzittenden stapten uit en ik hoorde iemand zeggen: "Krijg je eerst een bui over je heen, en dan sta je nog te plakken ook". Benieuwd hoe die mensen zouden reageren als ze hoorden dat ik al vanaf half negen zo ongeveer elk kwartier zo'n bui over me heen kreeg. Vermoedelijk zouden ze me voor gek verklaren. Dat doen mensen meestal.
Ondanks de plakbeurt was ik ruim voor twaalven bij Lelijkstad. Ik had me vast voorgenomen me niet in de war te laten brengen door de rampzalige fietsinfrastructuur maar stug, consequent en hardnekkig het water te volgen. Na diverse bordjes 'doodlopende weg' en 'betreden op eigen risico' kwam er een bordje 'alleen doorgang voor langzaam verkeer'. Ik reed zowaar Lelijkstad uit en zat buitendijks, aan het IJsselmeer. Zonder zoeken. Ik geef toe dat ik het de avond tevoren op Google Earth bekeken had.
En de zon brak door. Niet continu, niet heel sterk, maar het werd wel wat minder koud. Ik passeerde de oude Flevocentrale. De kolencentrale is buiten gebruik, terwijl op de dijk een eindeloze rij windturbines staat te draaien. Graag zie ik hierin de overgang verbeeld van vuile fossiele energie naar schone windenergie, maar ik weet dat elke ton kolen die niet in de Flevocentrale gaat, elders op de wereld verstookt zal worden. De windturbines worden er gelukkig niet minder mooi van.
De wind kwam wel steeds meer dwars op de dijk te staan. Het grote windvoordeel was weg. De dijk draaide onder de Ketelbrug door, aan de andere kant pakte ik het fietspad dat de brug op leidt. Ik voelde dat het verstandig was om in Emmeloord een pauze te houden. Op het eerste stuk door de Noordoostpolder kreeg ik het vermoeden dat het snelle rijden afgelopen zou zijn; de wind ruimde tot NW, en de route draaide richting N. Gaf niks, ik lag zo voor op schema dat ik het laatste stuk echt wel wat tegenwind kon lijden. En met een stuk appeltaart en een espresso achter de kiezen zou het zeker moeten lukken.
Na Emmeloord kwam het eindeloze rechte stuk door de Noord-Oostpolder. Akker na akker na akker. Eigenlijk vind ik dit nog een van de mooiste stukken van de IJsselmeerpolders. De strakke geometrie van het landschap en de architectuur van de dorpjes stralen het naïeve vooruitgangsgeloof van de eerste helft van de twintigste eeuw uit. Daarna is er niet veel meer gebeurd; de dorpjes zijn ingeslapen, de vooruitgang is gestold op het moment dat het nog vooruitgang was.
De beide Flevolanden zijn heel anders van karakter; daar is vooral commercie en botte bouwwoede te zien, op sommige plaatsen fanatiek bestreden met nieuwe natuur. Een latere fase van hoe in ons land gedacht werd over vooruitgang, over ruimte, over wonen en natuur. 'Bataviastad' is de laatste fase hierin; er is geen enkele moeite gedaan om iets authentieks te maken, het is schaamteloze namaak, het is een slap aftreksel van kitsch. Ook de gedachte van 'Nieuw Land' is hier geheel verdwenen, meer dan een shopping mall voor Amsterdam is het niet, op een stukje opgespoten industrieterrein, een uurtje autorijden ver. Het had ook in de Haarlemmermeer kunnen liggen. Bataviastad is wegwerpontwikkeling; zodra outlet centers uit de mode zijn wordt de hele bende afgedankt en gaan de Randstedelingen hun geld weer ergens anders spenderen. Hier wordt gedanst op het graf van de vooruitgang.
Deze drie polders zijn een Museum van de Vooruitgang. Als je van zuid naar noord fietst, ga je terug in de tijd.
Mijn ervaring met deze fietstocht is dat in Friesland het afzien begint. Sowieso is het natuurlijk het laatste deel van de reis, maar ook is de fietsinfra een stuk beroerder, de bewegwijzering is om op te schieten, en meestal rijd ik ook een deel in het donker. Daar kwam nu ook de wind bij; het grootste deel van de rit had ik hem in de rug gehad, vanaf Lemmer moest ik er tegenin. Vlak buiten Lemmer kreeg ik nog een felle regenbui over me heen, maar daarna begon de lucht langzaam maar zeker op te klaren. Ik passeerde de dorpjes Sondel, Nijemirdum en Oudemirdum in het prachtige Gaasterland. Vanaf Rijs volgde ik de fietsbordjes richting Koudum (ze klopten!) en toen zag ik de volle maan. Daar werd ik heel gelukkig van. Het zou weinig moeite kosten om in het donker te rijden.
Bij Koudum werd er aan de weg geklust en dus was het een puinhoop voor fietsers. Een deja-vu. Mijn vorige tocht naar Friesland, een jaar geleden, was het hier precies hetzelfde. Het lijkt Zoetermeer wel. Gelukkig was dit de laatste ergernis. Een fraaie polderweg leidde in de schemering naar de haven van Workum, alwaar ik het tijd vond om mijn verlichting aan te zetten. Mooi haventje, Workum. Vaak met de Trui geweest. Net als Makkum, het volgende doel. Het fietsbordje richting Makkum gaf mij moed; Harlingen was zo'n 15 kilometer dichterbij dan ik dacht.
Op de route naar Makkum ligt het dorpje Gaast, en dat is wel een bezienswaardigheid. Een authentiek terpdorp is iets dat je niet veel meer ziet in Nederland. Veel zijn afgegraven toen men de dijken eenmaal voldoende vertrouwde. Daar gaan we nog spijt van hebben, niet alleen uit cultuurhistorisch oogpunt. In Duitsland weet ik er ook nog een paar, bijvoorbeeld Rysum. Volgende keer dat ik hier fiets moet ik zorgen dat ik iets eerder ben, of meer daglicht heb. Ik wil het wel eens wat beter bekijken. En plaatjes maken, als een doodordinaire tourist.
Het was nu echt donker. Nauwelijks tegenliggers, dat scheelde. De maan was goed zichtbaar. Ze gaf genoeg licht om ganzen in het weiland te zien. Langzaam kwam het gevoel van tevredenheid boven dat ik normaal gesproken pas een uur na aankomst heb, als ik gedoucht ben en achter een kopje thee zit. Deze tocht was bezig om de mooiste te worden die ik ooit heb gereden.
Bij Zurich verwachtte ik de wind mee te krijgen, maar dat viel tegen. Kennelijk was hij helemaal in de noord komen te staan. Het kon me niet meer boeien. Ook de koplampen van de auto's op de parallelweg deden me weinig. Die sukkels zaten ingeblikt te stressen terwijl ik aan het eind van deze fantastische tocht beloond zou worden met lekker eten en een paar dagen Terschelling.
De kerktorens van Harlingen kwamen in zicht. Om zes uur precies reed ik Harlingen binnen. Langs het Dokje naar de veerbootterminal, de tijden checken. Alles was in orde. Ik had anderhalf uur om wat te eten. In een eenvoudige pizzeria at ik een goede lasagne. Aalke Lida belde, ze was inmiddels ook in Harlingen gearriveerd. Zonder veel moeite vond ze de pizzeria en had nog even tijd om een soepje te eten. Twee uur later stonden we aan boord van de de Condor.
Het was fijn aan boord. Veel gezelligheid met Peter en zetschipper Arie, en niet te vergeten de scheepshond Maat, die natuurlijk heel veel uitgelaten moest worden. Aalke Lida bleef tot donderdagavond, ik wat langer. Op het eiland was de drukte van de feestdagen voorbij. Bijna niemand was er nog. Het eiland was weer in winterslaap gegaan. Het weer stond ook niet naar uitbundigheid. Vaak stond er zeven, acht Beaufort, soms harder.
Op donderdagavond wilden we uit eten gaan in het Amsterdams Koffiehuis. Ik stond aan dek, het was tweeëneenhalf uur voor HW. Het water begon al over de steiger te spoelen, ik riep Peter dat hij snel moest zijn. Na het eten was het bijna HW, we gingen even kijken. De hele kade stond onder water, we moesten biertjes drinken tot ruim na middernacht om weer aan boord te kunnen.
Op vrijdagmiddag nog een laatste, lange wandeling gemaakt. Langs het Groene Strand, over een smal slingerpaadje langs (en soms door) het natte, moerasachtige gebied tot de duinen van de Westkop. Daar hebben we naar de Noordzee gestaard. Tenslotte door het binnenduin teruggelopen naar West-Terschelling. Tijdens de schemering kwamen we weer terug in het dorp.
Zaterdag was de enige gunstige dag om de Condor terug te varen naar Harlingen, en dat hebben we toen ook maar gedaan. Omdat ik zondag een afspraak had, moest ik helaas de trein terug nemen naar Delft. Aan de andere kant, misschien ook maar beter. De terugtocht zou nooit zo mooi kunnen zijn als de heenreis. Voorlopig houd ik die herinnering even vast.