het eerste eiland

door het zeegat

Walter staat aan het roer op weg naar de sluis van Greetsiel. Het is grauw weer, maar het belooft een mooie tocht te worden. Het Oost-Friese Wad heeft maarliefst zeven bewoonde waddeneilanden. De eilanden zijn veel kleiner dan de Nederlandse. Op twee na zijn ze autovrij, het zijn rustige kuur- en vakantieoorden met mooie natuur op loopafstand van de haven. Uiteraard moesten deze week een aantal eilanden bezocht worden. Op maandagochtend vertrokken we daarom richting de sluis. Het was opnieuw vrijwel windstil. Een grauwe lucht die naar miezer neeg. We hadden gelukkig meer tijd en de stroom mee. Na veel getwijfel kozen we voor het zuidelijke wantij, en lieten ons richting Norddeich spoelen. Gelukkig kwam er toch wind, eerst zwak, maar al snel een goede westenwind. Toen we langs de strekdammen van Norddeich naar het noorden staken, ging Trui hard door het water, ondanks de tegenstroom.

Ik stond voor de keuze of ik het wantij van het Wagenpad zou nemen, of verder noordelijk zou koersen en langs de kop van Norderney zou varen. Het eerste is meer beschut, maar zou waarschijnlijk langer duren, en is ook minder mooi; Norderney is een prachtig eiland om langs te varen. Omdat de wind net was opgestoken en niet in de NW-hoek had gezeten, verwachtte ik dat het zeegat redelijk rustig zou zijn. We zouden immers niet voorbij de banken van de buitendelta komen, en zelfs niet echt ten noorden van Juist komen. Het werd dus de noordelijke route.

Dat viel tegen. Bij het zeegat was de wind eerder zuidelijk dan noordelijk van west, maar de golven kwamen uit het noordwesten en waren niet laag. Het is dan link om voor de wind te varen, je zit niet op klapgijpen te wachten. We bleven dus min of meer ruim varen, richting het havenhoofd. Het voordeel daarvan was dat we niet voor een gijp hoefden te vrezen, het nadeel was dat we flink schommelden. Boi stond aan het roer, maar hoewel hij nogal fors en sterk is, trok hij het na verloop van tijd niet meer en kreeg moeite om de boot op ruime koers te houden. Toen de giek in een golftop terecht kwam, was hij het zat. Iemand anders nam over, een kwartier later zaten we beschut en lag de boot als een huis op koers.

door naar Baltrum

Nu het weer rustig was, had niemand zin om hier al te stoppen. Er was nog tij zat om een wantij te pakken, en bovendien is Norderney een van de eilanden waar wel auto's mogen komen. Sterker nog, in het stadje zijn eindeloze parkeerplaatsen voor de vakantiegangers. Wat je op zo'n klein eiland met een auto moet is me een raadsel, het lijkt me dat je die kostbare grond wel beter kan benutten en de parkeerplaatsen op de vaste wal bouwen. Maargoed.

De oostkop van Norderney ligt altijd vol met zeehonden. We zeilden verder richting het oosten, langs prachtige waddenkust met lange duinenrijen en een fraaie bakstenen vuurtoren. De wind was hier iets rustiger en draaide ook weer zuidelijker, het was nog steeds grauw. Het wantij haalden we op onze sloffen; met een botter kun je hier tot drie uur voor laagwater overheen. Het ging nu zo voorspoedig dat ik begon te twijfelen of het wantij van Baltrum niet ook nog haalbaar zou zijn. Het is wel wat hoger, maar we hadden nog tijd.

Baltrum, gezien vanaf het wantij. We naderden de oostkop van Norderney. Hier is altijd veel te zien, op de vloedhaak ligt een vrij grote troep zeehonden, op het strand zijn een wrak en een oud houten baken te zien. Het was inmiddels zo laat dat het twijfelachtig zou worden of we het volgende wantij zouden halen. Het was geen weer om droog te vallen, dus we gingen lekker de haven van het kleine Baltrum binnen.

Het bier wordt met de kluiverval aan boord gehesen. Het was pas halverwege de middag, we hadden alle tijd om even over het eiland te lopen, koffie te drinken en inkopen te doen. We wandelden langs de indrukwekkende kustverdediging aan de westkop, keken uit over het doolhof van zandbanken dat het zeegat tussen Baltrum en Norderney kenmerkt. We kochten een paar grote kratten met lekker Duits bier die we met de kluiverval aan boord hesen.

'sAvonds stond ik op de dijk, met de wind in m'n gezicht. Ik inhaleerde de zeelucht zo diep als ik maar kon. Op dat moment realiseerde ik me hoe gespannen mijn lichaam was, en hoeveel behoefte ik had aan schone lucht. Als randstadbewoner is een regelmatig bezoek aan het Wad essentieel voor mijn gezondheid.