twee grote estuaria en een hoge plaat
We nemen afscheid van de Oost-Friese eilanden. Weer en tij zijn gunstig om een belangrijke stap naar het oosten te zetten: het oversteken van de Jade en het wantij van Alte Mellum naar de Weser. Het is nog rustig weer als we de wantijen van Wangerooge en Minseneroog oversteken. Op dit traject moet je in feite dezelfde truuk uithalen als wanneer je de Eemsmonding oversteekt: zo vroeg mogelijk het wantij over zodat je de vloed nog mee hebt, en dan het volgende wantij over naar de oostelijke geul. Het verschil is alleen dat in dit geval het laatste wantij één van de hoogste in deze contreien is, en dat de oostelijke geul niet de Alte Ems is maar de Wesermonding. En dat is wel andere koek.
De timing is vrij goed. We hebben nog genoeg stroom mee op de Jade. De wind trekt aan tot vijf, maar komt uit oostelijke richting. Niet handig. Het is al even na hoog als we arriveren bij de Kaiserbalje, zoals de geul over het wantij officieel heet. Het rak is niet bezeild, we moeten kruisen met harde wind, niet al teveel speling en afgaand tij. De bemanning is gelukkig inmiddels goed in vorm, de overstagmanoeuvres gaan soepel en we vorderen goed. Tussen de manoeuvres door probeer ik uit te vogelen hoe het nou precies zit met de route naar de hoofdgeul van de Wesermonding. Ik weet dat we een zuidelijke route kunnen volgen over de platen ten oosten van Fedderwardersiel, maar ik heb dat nog nooit gevaren dus ik wil alles twee keer controleren voordat ik met dit weer en afgaand tij zo'n plaat oversteek.
Als we de Kaiserbalje gepasseerd zijn, ben ik ervan overtuigd dat we de zuidelijke route kunnen nemen. Dat is wel een slingerroute met beperkte betonning, en niet alles is bezeild. Bovendien ligt er langs de hoofdgeul een lange rij kribben zoals je ook langs rivieren ziet. Het verschil is dat ze hier midden in het water liggen, en dat ze alleen aan de zijde van de hoofdgeul zijn bebakend. De route leidt tussen twee van deze kribben door.
tegen de stroom
Ik kies ervoor om twee extra slagen te maken tot we op een punt zijn waar we goed bezeild recht tussen de kribben door kunnen varen. Het had vast sneller gekund, maar we hebben nu een goed richtpunt, een kompaskoers en een duidelijk beeld van waar de kribben beginnen en ophouden. Veiligheid gaat voor snelheid.
We zeilen nu tegen de ebstroom richting Bremerhaven. Logischer zou zijn geweest om met de eb mee naar het noorden te varen, richting de Wurster Arm. Dat is een fraai waddengebied, met enkele leuke minihaventjes. Het nadeel is alleen dat we door omstandigheden niet met een busje kunnen wisselen. We moeten dus ergens eindigen bij een treinstation, en het eerste treinstation na Bremerhaven is Cuxhaven. En dat is eigenlijk net te ver.
Het wordt dus toch Bremerhaven. Met ruime wind komen we eerst nog redelijk tegen de stroom in, maar als we langs de containerhaven varen houdt het helaas op. Ik vind het iets te hard waaien om met bijzeilen aan de slag te gaan, dus ik zet de motor bij. Met volle fok, grootzeil en half gas komen we weer vooruit. Ik bel Hugo om over de wissel te praten, hij is nogal verbaasd dat we al zover zijn.
Bremerhaven is een grote havenstad, met veel nautische historie. Voor bootjesgekken een niet te missen attractie. En dus een goed nachtleven, denken we.
Dat valt nogal tegen. Na een flink stuk lopen door een uitgestorven winkegebied komen we bij een uitgestorven café waar nog bierviltjes te vinden zijn uit de tijd dat ik voor het eerst op het Duitse Wad voer, 1997. Maargoed, gezellig wordt het natuurlijk toch en we kunnen de camera's en telefoons weer opladen.