Een rustdag

Uit de bar naast de receptie klonk zomerse muziek. Op het kleine terrasje en naast het zwembad zaten mensen met een drankje te genieten van het begin van de avond. Zonnebrillen hadden ze al afgezet of omhoog geschoven, maar iets warmers dan zwemkleding was nog niet nodig. Uit de bar kwam een lange tengere vrouw op mij af. Donkere ogen, donkere huid en donkere krullen, een lange zomerjurk. Ze had de uitstraling dat ze iets moois van deze plek wilde maken, en dat het haar zou lukken ook. Ze keek aangenaam verrast toen ik zei dat ik niet één, maar twee nachten wilde blijven.

Hier zou ik een rustdag nemen. Een mooie plek aan de rivier, en met meer sfeer dan ik had verwacht.

Die rustdag was nodig ook. De afgelopen dagen had ik als een dweil gereden. Het was geen moeilijke route en toch was 160 kilometer het maximale dat ik uit een dag wist te persen. Aan het tempo waarmee ik hellingen bedwong, zag ik dat het probleem niet fysiek was. Ik klom gewoon goed. Het probleem was mentaal. Een dag stilte, aan het water zitten, door het dorp slenteren, dat had ik nodig.

Eigenlijk had ik dat natuurlijk op de boscamping bij Darney moeten doen. Die stille open plek in het bos. Boodschappen doen zou me anderhalf uur hebben gekost, zo afgelegen was het wel. Maar soms is dat het waard.
Ik had het alleen nog niet zo door toen. Ik zag wel dat ik slecht fietste, maar dacht dat ik gewoon meer m’n best moest doen. Niet zeuren, harder trappen.

Dus hing ik die dag toch weer m’n tassen aan mijn fiets om verder naar het zuiden te trekken. Een dag die vooral langs wat kleinere rivieren voerde.

De eerste helft van de dag draaide om de Saône. Heel wat kilometers gingen over de oevers, en anders was de rivier nooit ver weg, al was het maar in de plaatsnamen.

Mijn eerste koffiepauze neem ik in een slaperig dorpje, in een typisch Frans plattelandscafé waar iedereen elkaar de hand schudt en er altijd ergens een oude hond rondscharrelt op zoek naar knuffels en lekkere hapjes.
Op Twitter lees ik over de nazi’s in Charlottesville, over Trump die met kernwapens dreigt. Het dringt tot me door hoe snel de wereld afglijdt.

Hier, op dit dunbevolkte platteland gaat het leven zijn slome gangetje, met mensen die uren zoekmaken met het drinken van hun zondagochtendwijn, met een zomer die langzaam verstrijkt, liefdes die ontstaan en weer sneuvelen. De oogst die er aankomt. De fietsers die traag en in stilte de Groene Route volgen, en heel soms, dit jaar, de snelle fietsers van de Tour.

Maar op mijn smartphone zie ik nazi’s die zich weer sterk genoeg voelen om open en bloot zwarte mensen in elkaar te slaan. Om leuzen tegen joden te roepen, hakenkruisvlaggen te voeren en tegenstanders te vermoorden.

Overal waar ik fiets, zijn ze geweest, 70, 80 jaar geleden. Geen reis waar ik niet ergens de sporen zie van hun moordzucht. En ik kan er niet van overtuigd zijn dat we dit maal wel het gevaar weten af te wenden.

Ik ga weer verder. Deze pauze heeft helaas weinig goeds voor mijn gemoedstoestand gedaan. Beter is het om te fietsen en me op de mooie omgeving te concentreren. Blijf genieten, is mijn motto. Laat nooit toe dat extreemrechts je het plezier in het leven ontneemt. Ze hebben al veel te veel levens verwoest.

De regen is nu definitief voorbij. Af en toe is er wat bewolking, maar het is de zon die overheerst. Bij Marnay moet ik van track wisselen. Voor mijn gevoel is dit ook de grens met het zuidelijke Frankrijk, daar waar het echt heet wordt. Verbeelding, ongetwijfeld. Maar warm is het.

Veel overnachtingsmogelijkheden zijn er niet hier. Ik mik op de omgeving van Arc-et-Senans, een paar rivieren verder, aan de Loue. Bij het zoeken op de GPS zie ik ook de afstanden. Ik ga nog steeds traag. Er is te veel dat op mij drukt. Er moet snel een rustdag komen.

Ik heb geluk met de kampeerplaats. De kleine camping is vol, maar één van de plekken is gereserveerd door een fietser die heeft aangegeven dat ze haar plek wel met een andere fietser wil delen. Ze komt nooit opdagen.

Bij de camping hoort een klein eetcafé, waar ik een pizza neem. Opnieuw voel ik me te moe om zelf te koken. Vanaf mijn tafeltje heb ik uitzicht over weilanden met koeien. Een boerderij in de verte. Daarachter een beginnende zonsondergang. En dan opnieuw dringt het beeld zich op van hakenkruisen die het centrum van de macht binnendringen. Van de vrouw die doodgereden werd omdat ze hier tegen in opstand kwam. Heather Heyer. Dat haar naam nooit vergeten moge worden.
Ik wijd er een paar tweets aan om het voor eventjes kwijt te raken, en dan staar ik weer naar de horizon. Dit dromerige uitzicht verdient het niet om genegeerd te worden.

Na het eten, als het donker wordt, zoek ik een plekje om te schrijven. Van een vriendin krijg ik een tip over vallende sterren, maar helaas is het net te bewolkt. Ik schenk wat in uit mijn miniflesje pastis, zoek de foto’s uit voor mijn reisverhaal en pers het over een gammele internetverbinding. Te laat, maar met een voldaan gevoel, ga ik slapen.

Met iets meer rust, en ook iets meer op tijd, ga ik op pad. Nog steeds duren de pauzes te lang, pieker ik te veel en is mijn inspanning te laag. Maar het dieptepunt lijkt voorbij. Nu die rustdag nog.

De rivier van deze dag is de Aine. Ik volg hem door bergen, langs stuwmeren, over bergen met adembenemende uitzichten en forse klims. Klims die hartstikke goed gaan, daar ligt het niet aan.

Sterker nog, de klims helpen. Het mooie gevoel van reizen op de fiets keert terug. Als ik aan het eind van de middag tussen steil oprijzende bergtoppen fiets, vraag ik me heel even af waarom mensen bezig zijn met anderen haten terwijl je ook de fiets kan pakken en dit kan zien.

Waarom zou je haten als je ook kan liefhebben.

Mijn tweede pauze hou ik in een oud, vervallen café. De kastelein is ook oud, in zijn eentje zit hij te wachten op klandizie die steeds minder komt. Ook zijn kleding is oud, maar met zorg gewassen en gestreken. Zijn donkergrijze haar strak in de pommade, de kin glad. Voor een habbekrats drink ik twee koffie en vul mijn waterzak.

Op de GPS heb ik een plek gevonden voor mijn rustdag. Aan de Aine, bij een klein stadje. Genoeg winkels en restaurants. Het ziet er vrij ideaal uit, en is haalbaar voor zeven uur.
Rond half zeven kom ik langs Poncin. Beneden, naast de rivier, zie ik een vriendelijk ogende camping. Het dorp zelf ziet er ook leuk uit. Een beetje vervallen, verf bladdert van de luiken en kozijnen. Maar het is sfeervol en alles wat je nodig hebt, is er.

Even sta ik stil om te twijfelen. Maar dan zet ik toch mijn oorspronkelijke plan door. Ik heb die keuze niet voor niets gemaakt en die extra tien kilometer wil ik ook aftikken.

Een goed kwartier later bereik ik Pont d’Aine. En dan bekruipt me het gevoel dat ik de verkeerde keuze heb gemaakt. Het is groter dan Poncin, maar ziet er doods uit. Dwars door het plaatsje loopt een drukke weg, waar ook de camping vlakbij ligt. De restaurants blijken fastfood of gesloten.

Dan doe ik iets wat ik nog nooit eerder heb gedaan. Ik fiets terug. Terug naar het mooie Poncin.

Ik zet flink aan, om nog enigszins op een fatsoenlijk tijdstip te arriveren.  Gelukkig zit er niet veel hoogteverschil in de terugweg. Het lukt me om ruim voor half acht te arriveren op de camping, waar ik door de knappe vrouw in de lange jurk word verwelkomd. Wat ben ik blij dat ik op mijn beslissing terug ben gekomen. Snel zet ik mijn tent op, vul het formulier in, reken alvast af en ga douchen.

Als ik onder de douche vandaan kom begin ik de snelweg te horen. Vlakbij, hoog boven het dal, loopt een snelweg over een grote brug. Ik was er onderdoor gereden en hem weer vergeten.

What has been heard, cannot be unheard. Ik heb zes jaar naast een drukke weg gewoond, en voor mij is de emmer vol. Ik kan er niet meer tegen. Na het eten wordt het lawaai niet minder, voor mijn gevoel zelfs erger. Ik loop een rondje over de camping of er ergens een beschutte plek is, maar die is er niet. De bar is dicht, dus de muziek die het lawaai maskeerde is ook verdwenen.

Op het lege terrasje ga ik zitten met mijn koptelefoon op. Hier ga ik mijn rust niet vinden. Als ik lichamelijke rust nodig had, zou het kunnen. Maar nu niet.

Ik slaap slecht. Het enige ontbijt dat ik nog heb zijn twee koekjes en oploskoffie. Ik breek op en met pijn in m’n hart verlaat ik Poncin.

Uiteraard kom ik opnieuw langs Pont d’Aine. Maar ik zie dat ook dit echt geen geschikte plek zou zijn geweest. De weg is nog drukker dan gisteravond. Iets verder ontdek ik dat deze hele omgeving visueel mooi is, maar verpest door autowegen. Het was gewoon domme pech dat mijn dag hier moest eindigen.

Het wordt een mooie rit door de heuvels. Halverwege de middag komen de Alpen opnieuw in het vizier. Of en wanneer ik deze bergen weer in ga, weet ik niet uit mijn hoofd. Ergens kruisen deze route en de 100 Cols elkaar, ik zie het wel.

In Saint-Donat-sur-l’Herbasse vind ik dan eindelijk mijn plek. Ook hier word ik heel prettig ontvangen. In plaats van de zomerse muziek is er een optreden van een lokale zanger met digitale ondersteuning. Het is meer kneuterig dan hip hier, maar ’s avonds wordt de weg stil.

Ik eet in het stadje, drink bij m’n tent een pastis onder de sterren. Slaap als een blok. Was de volgende dag mijn kleren en lakenzak, neem eindeloos de tijd om te ontbijten. Schaamteloos doe ik tango-oefeningen met de muziek op mijn koptelefoon en de smartphone als de rechterhand van mijn virtuele partner. Een Nederlands gezin kijkt toe maar het maakt me oprecht niet uit.

’s Middags loop ik Saint-Donat in. Alles is dicht vanwege Maria Hemelvaart.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Time limit is exhausted. Please reload CAPTCHA.