Om verschillende redenen ga ik meestal alleen op fietsvakantie. Ik heb daarom een eenpersoonstent. Dat geeft ruimte genoeg, omdat ik mijn tassen toch niet in de binnentent wil. Veel alleenreizenden kiezen voor een tweepersoons om meer ruimte te hebben, maar ik vind dat niet zo slim. Als het koud is, is een eenpersoons namelijk beduidend warmer, omdat het kleine beetje warmte van je lichaam beter wordt vastgehouden in de kleinere ruimte. Dit scheelt behoorlijk.

Als het daarentegen warm is, wordt de temperatuur in je tent gedomineerd door de warmte van de omgeving of erger nog, de hitte van de zon die met een kilowatt per vierkante meter op het doek brandt. De warmte van je eigen lichaam valt daarbij in het niet. Dan maakt het dus geen donder uit hoe groot je tent is; veel belangrijker is het of je de boel goed kan laten ventileren.

Met andere woorden: een kleine tent is wel warmer bij koud weer, maar een grote tent is niet koeler bij warm weer.

Daarbij komen dan nog voordelen als het lagere gewicht en het kleinere pakvolume. Een eenpersoonstent is vaak ook gemakkelijker op te zetten in je eentje dan een tweepersoons. Het kleinere grondoppervlak kan ook een voordeel zijn als de ruimte beperkt is, of de beschutting tegen wind of zon klein is. Een kleinere tent vangt minder wind en bij gelijke materiaalkwaliteit is hij ook sterker.

Er zijn veel verschillende concepten voor trekkerstenten. De meest voorkomende zijn koepeltenten, tunneltenten met meerdere bogen en tunneltenten met één boog. Daarnaast is er nog onderscheid tussen tenten waarbij je eerst de binnentent opzet en daar de buitentent overheen trekt, en die waarbij het andersom gaat. In het laatste geval kun je de binnentent meestal in de buitentent laten hangen bij het afbreken. Je zet binnen en buiten dus in feite tegelijk op.

Na bijna twintig jaar kamperen in kleine tentjes, heb ik alle varianten wel zo’n beetje meegemaakt. Voor de meeste omstandigheden denk ik dat de beste tent de éénboogs tunneltent is, waarbij de buiten- en binnentent tegelijkertijd worden opgezet. De redenen daarvoor zijn de volgende.

Eén boog is genoeg. Het hoogste punt van de tent is dáár waar je hoofd is als je rechtop zit. Bij je hoofd- en voeteneinde heb je minder ruimte nodig. Die tweede of derde tentstok creëert vooral ruimte op plekken waar je er niet veel aan hebt. Minder tentstokken betekent minder gewicht en sneller opzetten.

Een éénboger heeft een aerodynamischer vorm. Als je hem in de richting van de wind zet, kan de lucht er gemakkelijker overheen glijden dan over een stompere vorm. De kegelvormige oppervlakken van het dak klapperen minder dan een cilindrisch oppervlak zoals twee- of driebogers meestal hebben.

Een éénboger heeft meestal een deur aan de zijkant. Een deur aan de zijkant scheelt heel veel ruimte in je tent. Dat klinkt gek, maar het wordt logisch als je nadenkt over hoe je de tent in en uit gaat. Bij een deur aan de voorkant moet je je omdraaien bij het naar binnen en naar buiten gaan. Daarom moet zo’n tent groter zijn. Sowieso is het irritant om die beweging te moeten maken. Met een deur aan de zijkant is dit probleem opgelost.

Buiten- en binnentent tegelijk opzetten is handiger. Het klinkt triviaal, zeker als je ergens heen gaat waar het wel eens regent, maar om de een of andere reden blijven er mensen tenten kopen waarbij de binnentent eerst moet worden opgezet. Er zijn zelfs mensen die het beter vinden, omdat je dan ook zonder buitentent kan slapen in de warmte. Op mij komt dat over als het uitlokken van zware regenbuien in je diepste slaap. Bovendien vraag ik me af waar je je tassen dan laat. Ik wil die vieze dingen niet in mijn binnentent, maar ik vind het ook wel een fijne gedachte dat niemand ze kan pakken zonder mij wakker te maken. Dan zet ik liever alleen de buitentent op, en dat kan alleen met een tent zoals de mijne.