Vandaag is het ‘goed fietsweer’. De camping waar ik vannacht sliep had gelukkig een kleine verblijfsruimte, zodat in ieder geval droog kon ontbijten. Slaapzak en matje heb ik droog in kunnen pakken, maar de tent moest ik echt in de regen afbreken. Hopen dat het eind van de middag wat opklaart.
Bij elke reis van Nederland naar Scandinavië is de oversteek van de Elbe een belangrijke mijlpaal. Bij eerdere fietstochten ging ik deze machtige rivier over bij Cuxhaven, Glückstadt of Lauenburg.
Ditmaal kruiste ik hem met een veerpont die vertrok vanuit een stadje in Das Alte Land, een streek die beroemd is om zijn boomgaarden. Het staat er helemaal vol met fruitbomen. Ook de smalle bermen van de wegen zijn dicht beplant, en alles hangt nu vol met dikke appels en peren. Het moet bijzonder zijn om hier in de bloesemtijd te fietsen.
Het schip voer langs een van de langgerekte eilanden die hier in de rivier liggen. Vreemd dat ze niet bewoond zijn. Ik kan me niet voorstellen dat dit altijd zo is geweest. Sowieso zullen er ooit verdedigingswerken hebben gestaan, veel strategischer kan een plek niet geweest zijn voor de stad Hamburg. Tegenwoordig zijn het in elk geval mooie natuurgebieden. Ik ontwaar er de eerste herfstkleuren.
Ik ben niet de enige fietser aan boord. De anderen zijn voornamelijk duo’s van wat oudere Duitsers. Iedereen kijkt elkaar vertwijfeld aan. We weten allemaal wat voor dag dit gaat worden.
Het regent flink wanneer het schip aanlegt. Ik heb alleen mijn regenjas over mijn zomerfietskleding, koud is het niet. Hopen dat het eind van de dag een beetje opklaart, zodat alles weer kan drogen.
Het eerste stukje gaat langs de rivierdijk. Een voorproefje van het laatste deel van de reis. Ik merk dat ik nog steeds handigheid heb in het openen van schapenhekken, ik hoef soms niet eens af te stappen.
Vervolgens verlaat de route de dijk en gaat het binnenland in. Binnen de kortste keren zit ik weer op gravel. Hoe weten ze het te vinden. Zeker met dit weer is het niet prettig. Ik stap weer over op mijn tactiek van plaatsjes langs de route volgen zonder op de exacte route te fietsen.
Nu moet ik zeggen dat ik toch een stuk over gravel heb gefietst dat wel redelijk aangenaam was. Een oude spoorlijn die tot fietspad was omgebouwd. Het was een van de weinige droge periodes die dag, dus het fietsen ging wel en de omgeving was meestal mooi.
Na een paar kilometer werd het toch weer slecht en ging ik terug naar de gewone wegen. Ik kwam toen al in de buurt van Lübeck. Omdat de Hanzeroute mij heel goed door Bremen heen had geholpen, liet ik me verleiden om ook zo door Lübeck te navigeren.
Voor ik het wist zat ik met m’n slicks in de stromende regen op een glibberig mountainbikepad in een weiland. Nooit geweten dat Lübeck zo ruraal was.
Ik stelde de autoroutering in op het beginpunt van de route langs de Oostzee. Ik moest echt kilometers gaan maken zonder al dat geklooi. Leuk wordt het toch niet met dit weer, en dan ook nog vertraging oplopen is echt vervelend.
De stad is blijkbaar nog verder weg dan ik dacht. Ik rij door een groen landschap dat steeds interessanter wordt. Het begint zelfs flink te glooien, zodat zelfs mijn klimmershart nog even aan het werk mag. Ik kom langs eeuwenoude eiken- en beukenbomen, riviertjes en ook de eerste sporen van baksteengothiek worden zichtbaar.
Het is inmiddels al halverwege de middag. Ik ben moe en doorweekt. Mijn fiets piept en kraakt nog niet, maar ik weet dat een nachtje drogen geen verwennerij gaat zijn. En ik heb nog maar 120 kilometer gemaakt. De wind is gunstig, anders was het nog erger geweest. Ik merk dat ik me neer begin te leggen bij een weinig succesvolle dag. Aan het eind van de middag moet ik vooral zorgen dat ik goed terecht kom, de kilometers moeten dan maar van de betere dagen komen.
In een dorpje fiets ik langs een typisch Duitse herberg, met degelijke architectuur, gekleurde beglazing en omgeven door hoge bomen. Als er licht had gebrand zou ik er zijn gestopt. Doorgaan begint zinloos te voelen.
Onder het afdakje van een bushalte bekijk ik mijn mogelijkheden. Tegenover Travemünde is een camping, op een plek die er goed uitziet. Nog zo’n 30 km fietsen. Ik klik op “Ga” en duik de regen weer in.
Nu kom ik dan toch echt in Lübeck terecht. Net als de vorige keer is het er niet fijn fietsen. Het is zo druk dat ik toch maar de fietspaden volg, maar dat zijn niet meer dan brakke stoepen. Ik stuiter van straat naar straat, na menige stoeprand ben ik opgelucht als ik geen snakebite heb opgelopen.
In mijn spiegel zie ik heldere lucht. Ik blijf optimistisch.
De stad gaat over in voorsteden, dan in voorstadjes en uiteindelijk fiets ik weer van dorp naar dorp. Op de kaart ziet het er uit als één groot stedelijk gebied, maar blijkbaar valt dat nogal mee.
Op 11 kilometer van het doel krijg ik alsnog een lekke band. Geen snakebite maar gewoon een steentje. Eerst probeer ik het met bijpompen, maar na nog een kilometer accepteer ik het onvermijdelijke. Met een klein beetje zon verwissel ik de binnenband, tussen de handelingen door was ik telkens mijn handen in een plas om te voorkomen dat ik vuil aan de binnenband smeer.
Ik fiets Travemünde binnen. Wat een fraai dorpje. Ik heb in 2010 echt iets verkeerd gedaan, met mijn route door industriegebieden, en met alleen de veerbootterminal om mijn tijd tot vertrek door te komen.
Met een veerpont steek ik de havenmond over en bereik Priwall. Tijdens de korte overtocht vang ik de eerste glimp op van de Oostzee.
En nu zit ik in een eenvoudige strandtent waar ik gegeten heb. Fut om te koken had ik niet meer, dat komt morgen wel weer. Voor ik hier neerstreek liep ik langs het strand. Het was inmiddels weer twee regenbuien verder en de laagstaande zon kwam net een beetje door de wolken heen. Het havenhoofd en de lichtboeien gaven in een traag tempo hun signalen. In de verte zag ik de kust van Sleswig-Holstein. Zachtjes hoorde ik een paar meeuwen krijsen.
Ik ben er. Ik ben aan de kust.