De overgang was minder abrupt dan de vorige keer. In het verre noorden, bij de grens tussen Finland en Noorwegen, had ik het landschap zien veranderen op een schaal van meters. Ook die paar keer dat ik bij Abisko, in het noorden van Zweden, de grens per openbaar vervoer had gekruist, viel me een scherp contrast op tussen het Zweedse en het Noorse landschap.

Maar hier zag ik al geruime tijd de heuvels steeds bergachtiger worden, de wegen steeds minder rechttoe-rechtaan. Het bos werd gemengder, met steeds meer rotsen naast de weg.
Om twee minuten voor vier passeerde ik het bord ‘Norge’. De gravelweg waar ik al 26 kilometer over fietste, veranderde in een smal asfaltweggetje, slingerend in zowel horizontale als verticale richting. Het landschap verandert nu toch. Abrupt. Maar veel subtieler dan ik eerder zag.
Het bos en de dalen voelen kleinschaliger, intiemer bijna. Het weggetje gaat zoveel meer omhoog en omlaag, dat ik ineens veel meer schakel, met beide derailleurs. Er zijn nu beekjes langs de weg, veel grilliger dan de brede stromen door de Zweedse bossen.
image

En dan kom ik langs het eerste grote meer. Ik schiet vol. Dit is een Noors meer, geen Zweeds of Fins. Een spitse berg steekt plompverloren aan de overkant uit het water. Een stuk steen totaal anders dan de bergen er direct naast. Dit is zo typisch aan het Noorse landschap. Het grillige, onvoorspelbare en toch herkenbare. De brute krachten van ijs, water en tectoniek die dit land gevormd hebben, werkten niet zo systematisch. Naast door het ijs kaalgeschraapte en afgeslepen rotsformaties steekt dan zomaar weer een spitse top als een haaievin omhoog. En daartussen wringt zich het leven. De ene keer als lieflijke bossen en grasvelden, dan weer als moerassen of velden van mismaakte berkjes, meer dood dan levend.
In mijn lijf en geest komt een energie boven die ik nog niet eerder gevoeld heb deze reis. Zeker niet gedurende de laatste dagen in Zweden. Het lag echt aan het landschap.
image

Mijn doel voor deze dag is de eerste de beste camping in Noorwegen. Deze ligt langs de E6, de weg die mij naar de poolcirkel zal brengen. Nyheim heet hij, het is nog een dikke twee uur fietsen. Na het passeren van het meer kom ik bij een T-kruising, en kies de noordelijke tak. Vrijwel direct kom ik een bord tegen dat waarschuwt dat een tunnel, de Steinfjelltunnelen, ‘stengt’ oftewel gestremd is. Dit zou mijn plan aardig kunnen dwarsbomen.
De informatie van mijn GPS brengt mij niet veel verder. De tunnel kan ik niet vinden, dus ik weet niet of hij tussen mij en Nyheim zit. Wel zie ik dat als ik de zuidelijke weg naar de E6 zou kiezen, ik een flink stuk om zou rijden, en dat het dan heel laat zou worden voordat ik bij een overnachtingsplek ben.
Googlen dan maar. Ook daar word ik niet veel wijzer van. Ik vind de bevestiging dat ik langs de tunnel moet, maar of er een alternatieve route is, zie ik niet.
Mijn gevoel zegt dat ik het er op moet wagen. Bij veel tunnels is de oude weg over de berg nog intact. In sommige gevallen is dat zelfs de enige mogelijkheid voor fietsers, omdat de tunnel verboden terrein is. Maar als ik mis gok, fiets ik veertig kilometer voor niks en ben ik zeker niet voor het donker binnen.
Ik ga door. Mijn gevoel en de wil om de geplande route te volgen zijn sterker dan de twijfel en voorzichtigheid. Al moet ik lopend mijn fiets over die berg duwen.
Ik kom een korte maar zware klim tegen. De twijfel steekt toch de kop weer op. Het zijn natuurlijk wel veertig Noorse kilometers. Die kunnen vies tegenvallen. Toch maar even op Google Maps kijken, misschien levert dat nog iets op. Alvorens de afdaling in te zetten, stop ik en pak opnieuw mijn telefoon. Bij voldoende inzoomen wordt er inderdaad een weggetje zichtbaar om de tunnel heen. Voor de zekerheid misschien nog even aan een lokale bewoner vragen als ik er een zie.
Een stukje verder zie ik een vuilniswagen in mijn spiegel. Ik stop, stap af en steek mijn hand op. De chauffeur spreekt alleen Noors. Met gebaren stel ik mijn vraag, en het antwoord is gunstig. Maar hij kijkt wel heel zuinig naar mijn fiets. Hij heeft er duidelijk weinig vertrouwen in dat het ook met mijn fiets kan.
Ik ben al bijna opgelucht. Helemaal vertrouwen doe ik het niet, gezien de taalbarrière. Maar ik fiets verder. Wellicht kom ik langs een huis waar ik even kan aanbellen. Dat had ik best eerder kunnen bedenken, bij de T-splitsing stonden een aantal huizen.
De bewoonster van het eerste huis dat ik tegenkom, spreekt ook alleen maar Noors. Zij bevestigt dat er een route om de tunnel heen is. Mijn gevoel klopt gewoon. Ik moet de gok wagen.
image

Tien kilometer verder kom ik bij de tunnel. Voor de ingang staat een enorme ventilator op een vrachtwagen lucht de tunnel in te blazen. Naast deze machine begint een gravelweggetje.
image

Het is smal en steil. Maar het is er. En ik krijg al snel het gevoel dat het niet zomaar een weggetje is.
Met verzetten als 30/28 en 30/30 kruip ik tegen de berg omhoog. En wat is het mooi. De uitzichten zijn overweldigend, ik zie verre toppen met sneeuw.
image

Bergmeertjes liggen vlak naast de weg. Ondanks alle tijd die ik kwijt was aan twijfelen, googlen, twijfelen, vragen en weer twijfelen, heb ik geluk dat de tunnel gestremd is. Anders was ik door een paar kilometer duisternis gereden en had ik al dit moois niet gezien.
Twee uur ben ik nu in Noorwegen en dan al dit avontuur. Wat een land.
image

Zo steil afdalen over gravel is dan weer minder leuk. Vaak heb ik twee voeten uitgeklikt en gebruik ik elk stukje waar het grind goed is ingereden, om even keihard te remmen. Maar het gaat goed.
Ik kom weer op de asfaltweg terecht, en dan begint de grote afdaling. Hier is het wegdek gelukkig uitstekend. Ik kan de fiets veilig laten rollen, waarbij ik zelfs de 78 km/h aantik.
Het is twee minuten over zeven als ik bij de receptie sta.image