Bij Yport had ik de kust moeten verlaten. Dit mooie badplaatsje, ingeklemd tussen de krijtrotsen, was het mooiste dat ik tegenkwam op mijn rit langs de Normandische kust. Daarna werd het snel minder.

Of ik had er juist moeten blijven. Er was kampeergelegenheid op loopafstand van de zee en het zag er rustig uit. Maar het was nog te vroeg dus ik moest verder. Alleen kwam ik na zessen vooral overvolle campings tegen. Bij de camping waar ik uiteindelijk wel terecht kon, had ik de mazzel dat de twee motorrijders die me honderd meter daarvoor hadden ingehaald, nog even stonden te overleggen voor de ingang. Ik glipte er langs, gooide mijn fiets tegen het hek en stapte vlug bij de receptie naar binnen.
Ik vind dat wandelaars en fietsers meer recht hebben op het laatste plekje dan mensen voor wie het niet zo’n moeite kost om het twintig of vijftig kilometer verderop nog eens te proberen.

En toen stond ik op een duffe camping in een nikserig plaatsje. De vermoeidheid was er nog steeds, ik was warrig en deed domme dingen. Het was al aan het schemeren voordat ik zover was dat ik aan een verhaal kon gaan schrijven.
Het nikserige bleef een beetje. Le Havre op zondagochtend was vooral uitgestorven. Honfleur was te druk en deels afgesloten wegens Quartorze Juillet. Daar voorbij werd het landschap mooi en groen, maar iets te aangeharkt. Bovendien is dit het domein van de rijke mensen, dus ik werd de hele tijd ingehaald door opgeschoten jongens, al-dan-niet van middelbare leeftijd, in dure cabriolets met een slechte uitlaatdemper.
Deauville was het ergst van allemaal, maar dat had ik kunnen weten. De chaos is erger dan aan de Belgische kust, maar dan met auto’s in plaats van skelters. Ik moet er om lachen en vind mijn weg landinwaarts.
Het is een vreemd afscheid van de zee. Het gaat een maand duren voordat ik weer bij de kust ben en ik had niet even een moment om naar de golven te staren.

De dag eindigt te vroeg. Het is nog geen halfzes als ik ontdek dat de camping naast de plek waar ik de kaart bestudeer, de laatste is die ik binnen redelijke tijd kan bereiken. Het is een simpele, goedkope camping municipal naast een meertje. Op de oever van het meertje is een picknicktafel. Dit is buiten de poort, dus ik moet telkens omlopen om daar te kunnen zitten met mijn eten, mijn koffie, mijn koude kruidenthee. Maar ik heb het er voor over. Ik zie de zon dalen en schrijf het tweede verhaal over deze reis.
De dag erna schiet het gelukkig wel op. Het is prettig weer, de wind is voor het eerst niet ongunstig en de route rijdt lekker door. Aanvankelijk over glooiende asfaltwegen, daarna over een ‘voie verte’, een afgedankte spoorlijn omgebouwd tot fietspad. Dat is weliswaar gravel, maar zo vlak en recht dat het tempo netto toch hoog ligt.

In de middag wordt het zwaarder. De route gaat dan door eindeloze graanvelden. Droog, heet, stoffig en vrijwel nooit is er schaduw. Trekkers en vrachtwagens geven mij twee meter meer ruimte dan nodig en gaan daarbij met hun rechter wielen de berm in, terwijl ik aan lei fiets… telkens creëren ze uit goede bedoelingen een enorme stofwolk waar ik met gesloten ogen doorheen fiets.

Uiteindelijk begint een lange slome afdaling richting de Loire. Het wordt groener, koeler en afwisselender. Er komt een gravelpad langs de rivier en dat volg ik. Het fietst niet makkelijk, maar het is in de schaduw en regelmatig heb ik een prachtig uitzicht op de rivier.
De logische kampeerplasts blijkt in een buitenwijk van Orléans te liggen. Terwijl ik mijn tent opzet, twijfel ik of ik nog wel de stad in moet gaan na het eten. Zo vroeg is het niet meer en het is toch nog wel een stukje fietsen en dan is het ook nog maandag.
Waarom. Waarom ben ik nog steeds zo calvinistisch dat ik niet gewoon het eten en de brander in m’n tas laat zitten en direct naar Orléans fiets om daar een pizza te eten.

Snel ga ik douchen en stap op de fiets. Maak even een klein rondje door het centrum bij de kathedraal, en ga dan naar de pizzeria. Zet m’n fiets vast aan een nietje, haal mijn tas en ventisitmatje er af en strijk neer op het terras, waar nog net een beetje ruimte is voor mij. Het eten en de wijn zijn erg lekker en de serveerster helpt me goed bij de vegetarische keuze.
Na het eten loop ik nog een rondje. Ergens is een alternatief barretje waar de Chouffe per halve liter gaat en ik ga zitten op het terras. Kijk om mij heen en zie het donker worden. Er zijn veel mensen op straat, er is een ontspannen sfeer.
Als het echt donker is, zie ik een bekend gezicht. Het is de serveerster die na het werk met vrienden nog even een biertje pakt. We zwaaien naar elkaar en dan verzink ik weer in gedachten.

Een halve liter Chouffe is best veel, dus als die op is, ga ik richting mijn tent. Ik pak mijn tas en dan realiseer ik dat ik alleen mijn tas heb. Niet mijn Ventisit. Die heb ik laten liggen bij de Italiaan.
Een Ventisit is het matje op de stoel van je ligfiets. Zonder dat kun je op asfalt misschien een paar kilometer fietsen voordat je vergaat van de pijn. Onderweg kun je wel een alternatief improviseren, bijvoorbeeld door een strandmatje te verknippen, maar dat ventileert niet dus je zweet je een ongeluk met de warmte hier.
Weinig dingen zo essentieel voor een ligfietser als je Ventisit. Je kunt eigenlijk niet zonder. Ik moet dat ding terugvinden.
Maar gelukkig is de serveerster hier. Ze weet ogenblikkelijk waar ik het over heb. Ze heeft het gevonden en weggegooid. ‘Kom, snel!’ zegt ze en dan lopen we in straf tempo naar het restaurant. De vuilcontainers staan voor de gevel maar zijn nog niet geleegd. We kijken tussen de vuilniszakken, en dan bedenkt ze dat hij ergens anders ligt. Via een deur die godenzijdank niet op slot is komen we bij de binnenplaats en daar ligt hij tussen wat lege dozen.
Het zal tot de volgende middag duren voordat de schrik uit mijn lijf is verdwenen.