De grote teleurstelling van deze reis was niet de hittegolf. Ook niet de door een snelweg verpeste Aostavallei waar ik hem voor het eerst tegenkwam. Het was ook niet dat het weer in Scandinavië het andere uiterste was. Nee, de grote teleurstelling was Rügen.

Niet dat Rügen lelijk is. Integendeel, vanaf het schip was de kust nog veel mooier dan die van Bornholm. Witte krijtrotsen die fel oplichtten in de zon, met donkergroen bos er bovenop. Ik verheugde me op een flinke tocht over het eiland, had al een nieuwe route bedacht langs de verschillende landschappen die het eiland rijk is, veel langer dan de minimum-variant die ik thuis had gemaakt.

Vanuit de haven ga ik eerst richting Sassnitz. Het idee is om vanaf daar de kust grotendeels tegen de klok in te volgen, en dan halverwege zuidwaarts te gaan, met een veerboot over het nauw dat de grote binnenzee verbindt met het open water. Aanvankelijk zit ik op een fietspad langs een drukke weg. Een slecht fietspad, maar ach, het is Duitsland. Ik werk mezelf door Sassnitz heen en kom dan op de weg door Nationalpark Jasmund. De weg is aan de drukke kant, dus ik kies het fietspad dat min of meer parallel loopt. Ook dit is niet een best pad, maar het gaat door koel en donker bos, dus ik vind het prima.

Alleen schiet het niet op. Hemelsbreed is er weinig voortgang, dus ik kies toch weer voor de hoofdweg. Daarvoor moet ik wel een stuk over kinderkopjes bonken, maargoed. Daarna zit ik op goed asfalt en is er weer voortgang. En hoe druk de weg ook is, het bos is mooi en lekker fris op deze warme dag. Later kan ik af en toe kleinere wegen pakken, oude betonwegen tussen de akkers.

Duitsland betekent ijs eten, en het is er inmiddels tijd voor. Ik nader een badplaatsje, vind een ijscafé aan het strand. Het is er rustig en zonnig. Er zijn mensen op het strand, maar niet overdreven veel. Een mooie plek met mooi uitzicht.

Maar het voelt niet goed. Het drukke verkeer is me op de zenuwen gaan werken. En waar die auto’s vandaan komen en waar ze heen gaan, het is me een raadsel. Als ik naar het rustige strand kijk, lijkt het wel alsof hier meer auto’s dan mensen zijn. Alsof autorijden de belangrijkste attractie van Rügen is. Het is hier gewoon niet leuk om te fietsen, hoe mooi het landschap en de natuur ook zijn.

Halverwege mijn ijsje weet ik dat ik het geplande rondje niet af ga maken. Ik neem gewoon de directe route naar de brug richting Stralsund. Het is niet anders. Ik maak mijn mooie kilometers dan wel langs de kust van het vasteland.

Maar dat is makkelijker gezegd dan gedaan. Een tijdje zit ik op een fietspad, maar ook dat schiet niet op. De fietspaden zijn hier ingericht op mensen die een klein rondje willen fietsen, doorgaande routes zijn er niet. Ik kom weer op een drukke weg terecht. Daarna op de grote weg over het eiland, waar gelukkig een fietspad langs is. De weg is één constante stroom van auto’s.

Ergens houdt het fietspad op, en moet ik blijkbaar zelf maar zien waar ik verder fiets. Op de kaart staan wel paden en kleine wegen die de goede kant op gaan, maar een ervan blijkt een trekkerspoor over een akker te zijn, dat doodloopt op een dicht stuk bos. Ik moet weer terug en een flink stuk omrijden over brakke betonwegen om verder te komen. Van het landschap is dan ook niet veel meer over. Saaie akkers, af en toe een nietszeggend dorpje.

Rügen Schmügen. Het contrast met het schitterende Bornholm kon niet groter zijn. Hoe een prachtig eiland zo verpest kan raken door slechte infrastructuur en een infectie van motorvoertuigen.

Maar als ik dan eindelijk op de brug zit, is er opnieuw zo’n contrast. Stralsund. Een stokoude hanzestad, gehuld in de ontspannen sfeer van een zomermiddag die nog vóór etenstijd over zal gaan in een zwoele zomeravond. Ik fiets naar het deels autoluwe centrum om euro’s op te nemen en koffie te drinken. Vlak naast de markt zit een hipsterig koffiebarretje dat er gezellig uitziet. Ik bestel koffie met chocoladekoek en ga buiten in de schaduw zitten. Het is onvoorstelbaar dat deze heerlijke plek op een bruglengte afstand is van het vermaledijde Rügen.

Ik verlaat de stad langs het water. Door een park, langs een strand. Wat een schitterende stad. En dat is pas het begin. Daarna komt het boddenlandschap. Ondiepe kustwateren, een erfenis van de ijstijd, afgescheiden van open zee door lange schiereilanden en haken. Mijn route gaat er vlak langs. Soms over een dijkje van misschien één meter hoog, dat het lage land beschermt tegen deze getijdenloze zee.

Het eind van de middag nadert, ik moet een kampeerplek vinden. Het is vrijdagavond, dus vlakbij een stadje of een wat groter dorp is wel aantrekkelijk. Maar het hoeft niet, de omgeving is ook mooi genoeg zonder een biertje. Er is echter wel een optie, bij een jeugdherberg naast Barth. Dat is wel nog een flink eind, misschien net haalbaar voor zeven uur maar dan moet er niets geks gebeuren. Maar de website ziet er actueel uit, dus ik probeer het gewoon.

Het strijklicht begint. Ik fiets verder fiets langs het water en rietkragen, over fietspaden door bos en weilanden, en vaak over dat lage dijkje. Het groen krijgt die intense gloed die zo typisch is voor Noord-Duitsland. De zon schittert in het water, op de achtgrond zijn de contouren van de schiereilanden zichtbaar.

Deze twee uur tussen Stralsund en Barth behoren tot de mooiste van de hele reis.

Ik ben op tijd bij de receptie. Ik kies er voor om gewoon mijn tent op te zetten, een kamer is overdreven met deze warmte. Bij een overnachting zit standaard een ontbijt in de jeugdherberg en dat vind ik helemaal niet erg. Inmiddels heb ik wel wat luxe verdiend na al dat afzien.

Daarom kook ik ook niet zelf, hoe mooi het plekje ook is waar mijn tent staat. Barth ligt op misschien twee kilometer wandelen vanaf de jeugdherberg, dus ik ga lekker uit eten.

De zon staat laag als ik langs het bodden loop richting het stadje. Overal zijn rietkragen, struiken en bloemen, zwermen vogels. De kerktoren van Barth steekt uit boven het groen. Het is inderdaad zo’n zwoele zomeravond geworden, hoewel ik verwacht dat het later af zal koelen.

Via stille straatjes bereik ik het centrum. Overal zijn fraaie, kleurig geschilderde huizen. Een perfect onderhouden marktplein met een fontein die een relikt uit de communistische tijd blijkt te zijn. Er is een restaurant met een ruim terras. Ik eet op mijn gemakje een goede maaltijd terwijl het donker wordt. Na het eten drink ik nog een weizenbier en dan gaat het restaurant dicht. Ik slenter naar de haven, waar volgens de GPS nog wel een café zit.

Dat café blijkt op een oud schip te zijn, met een bar in het vooronder en het dek als terras. Ik zit onder de sterren, drink nog een biertje en mijmer wat. En dan nog een biertje, want het is toch vrijdagavond en ik ben nog lang niet uitgemijmerd.

Dit is de Oostzeekust zoals ik hem ken, zoals ik hem wilde beleven. De reden dat ik de oorspronkelijke route hier langs plande. Rustig en mooi, alles netjes en chic, maar ontspannen en gezellig, zonder protserigheid. Als ik een strandmens was, zou ik nooit ergens anders op vakantie gaan.

Zo stil als het gisteravond bij de jeugdherberg was, zo druk is het bij het ontbijt. Gezelschappen, gezinnen en individuele reizigers zoals ik. Het eten is grotendeels ecologisch en verantwoord. En lekker. En er is koffie. Ik ga zitten in de tweede ontbijtzaal waar het rustig is, naast een stopcontact zodat ik mijn telefoon kan bijladen. Op de website had ik gelezen dat dit het laatste seizoen is voor deze jeugdherberg. Het stemt me een beetje treurig, het is zo’n fijne plek. Er hoort ook een manege bij en aan de overkant van de straat zit een surfschool. Een ideaal vakantieoord, maar deze manier van vakantievieren lijkt op z’n retour. Ongetwijfeld spelen de belachelijk goedkope vliegtickets daarin een rol.

Als ik verder fiets door het boddenlandschap, zie ik de samenhang. Dit landschap is in gevaar. Door klimaatverandering. Een trage zeespiegelstijging kan het wel aan, de ondieptes slibben dan wel weer aan, het zand van de schiereilanden verplaatst zich en vormt nieuwe haken. Maar twee meter erbij in minder dan een eeuw? Ik ben er niet gerust op.

De tweede dag van dit traject gaat veel door bos, meestal over halfverharde fietspaden. Soms loop ik daarbij vast op paden van rul zand, een keer moet ik over een geitenpaadje om een stuk klifkust heen dat onlangs in zee is gestort. Ik kom langs grote en kleine badplaatsen, langs Rostock, één van de grote havens van de Oostzee.

In Wismar, de volgende fraaie hanzestad, kom ik in de verleiding om naar de jeugdherberg te gaan om weer eens een avond in een echte stad door te brengen, maar op de site zie ik dat hij vol is. Ach ja. Ik fiets verder naar Zierow, waar een grote, onpersoonlijke maar onberispelijke camping is. Met een restaurant waar ik een eenvoudige maaltijd neem bij ondergaande zon. Ik ben echt aan het freewheelen nu. De grote afstanden zijn voorbij, ik zal op tijd thuis komen, ik ga opzekers mijn PR van vorig jaar verbeteren.

Sneller dan verwacht sta ik op de veerboot tussen Priwall en Travemünde. Het traject langs de Oostzee is korter dan het lijkt op de kaart. Deze havenstad is de poort naar Scandinavië, maar ditmaal ga ik de andere kant op. Een raar gevoel. Een jaar geleden bracht ik hier een heerlijke avond door, alvorens ik de boot naar Zweden nam. En nu ben ik op de terugweg. Ik drink koffie bij een bakkerij, fiets nog even langs de haven. Ik ga landinwaarts en verlaat het stadje. Daarbij kom ik langs een standje van twee onderzoekers die bezig zijn met een enquete over fietstourisme in deze streek. Ik stop en beantwoord de vragen. Het duurt even voordat bij hen doordringt dat ik nogal een buitenbeentje in hun sample ben.

Nog één keer kom ik bij de kust, bij Niendorf, iets noord van Travemünde. Ik fiets over de strandboulevard, op m’n gemakje. Bij een strandovergang door het lage, smalle rijtje duinen stop ik even en kijk naar het blauwe water. Er staat een lichte oostenwind, die gaat me helpen zometeen. Er wandelen wat mensen over het strand en de boulevard, een enkeling zwemt. In de verte zie ik witte zeilen. Dag Oostzee.

Ik klik in en fiets door een steegje naar de hoofdstraat achter de strandboulevard. Het is tijd om richting de Elbe te gaan.