Na een nacht vol regen word ik wakker van de zon die op mijn tent brandt. De Nederlandse jongen is me te snel af. We zien elkaar nog wel, maar hij is vertrokken als ik aan mijn ontbijt begin. Ik neem er de tijdvoor, rust is alles deze eerste week. Ik kijk uit op de rivier. Er zwemmen al mensen. De binnenvaartschepen komen langs, ze passeren hier stuurboord op stuurboord vanwege de sterke stroom.

Vermijd drukke plaatsen. Ook zo’n regel. Technisch gezien volg ik hem op. Fietsen doe je buiten, passeren gaat vlot, afstanden tussen mensen zijn automatisch groot.

En nee, risico op besmetting tijdens het fietsen is er hoogstwaarschijnlijk niet. Maar wel op botsingen en valpartijen, want het is ongekend druk op deze route. De verhalen dat veel mensen vanwege de crisis voor een fietsvakantie hebben gekozen, blijken te kloppen.

Op zich kan ik dat alleen maar toejuichen. Hoe meer mensen de fiets kiezen hoe beter. Alleen wordt nu zichtbaar dat dit wel iets vraagt van de infrastructuur. De Duitse fietsinfra is natuurlijk al notoir onder de maat, en kan deze plotselinge populariteit niet aan.

In elk geval niet op deze route. Langs de Rijn ligt voor de beginner wel erg voor de hand. Goed, er zijn wat industriegebieden waar je jezelf doorheen moet worstelen, maar meestal fiets je toch lekker langs het water, met om de haverklap een historisch stadje en een kasteel dat vanaf de heuvel op je neerkijkt. Natuurlijk wil je dat als voor het eerst de fiets kiest.

Helaas combineert het niet zo goed met mijn behoefte aan rust. Waar ik vorig jaar nog genoot van de chaos op de Belgische boulevards, word ik nu wat stressig van al die andere mensen om mij heen, die vaak hun bepakte fiets nog niet zo goed beheersen.

Ergens haal ik de Nederlander in. We maken een praatje, maar we zitten vlak bij een touristisch plaatsje, dus het is extra druk. Vrij snel word ik nerveus van al die letterlijke zondagsfietsers en kies voor snelheid om er vanaf te zijn. We nemen afscheid en ik zet flink aan tot een vertrouwd tempo.

Tegen vijf uur bereik ik Koblenz. De camping ligt langs de route, en ik zie dat er nog wat ruimte voor tenten is. Gezien de drukte kies ik het zekere voor het onzekere en ga hier staan. Er is een prima camping op loopafstand van de binnenstad. Ik besluit uit eten te gaan om er iets van te zien.

Om de binnenstad te bereiken moet ik om een kleine havent heen, naar een grote brug. Op een huis vlakbij de brug is een reusachtig portret van een vrouw geschilderd. Haar blik is intens, je kunt er niet langs kijken.

Er heerst een fijne zondagavondse sfeer. Ik loop een rondje door de oude binnenstad en kies uiteindelijk voor een Mexicaans restaurant. Er is alleen binnen plek, maar dat vind ik wel prima. Het licht buiten is nog steeds fel.

In m’n eentje uit eten voelt altijd fijn. Een soort aandacht voor mezelf waar het in het dagelijks leven te weinig van komt. En ook dit keer is het heilzaam. Maar ik heb er minder profijt van dan normaal. Als ik mijn eten op heb, wil ik direct de rekening. Ik loop ook niet nog even door de stad voor een tweede biertje. Het is me te druk hier.

Wanneer ik over de brug loop, kijkt de vrouw op het huis me indringend aan. Ik glimlach. Bij de camping maak ik oploskoffie en staar nog een tijd voor me uit. Koblenz is prachtig. Maar ik heb nu nog even geen energie voor grote steden. Dat komt later wel weer.