De eerste maand van de training voor mijn grote tocht is voorbij. Tijd om een tussenbalans op te maken. Aan de ene kant heb ik ietsjes gas terug moeten nemen. Mijn grote zwakte bij trainen is altijd dat ik geneigd ben veel te weinig rust te nemen. Na een week indolentie verbaas ik mezelf altijd weer met de snelheden die ik haal; dit is dan zuiver het resultaat van de rust die ik blijkbaar nodig had. Ook nu merkte ik dat ik meer werk moet maken van rustdagen, van uitslapen en wellicht middagdutjes na een training. Zeker na mijn griepje anderhalve week terug was het nodig om er niet al te hard tegenaan te gaan.
Edoch, vorig weekend zou ik gaan zeilen met de Condor. Vanuit Harlingen. En dat tochtje kan ik toch echt niet laten zitten. Zeker met de weersvoorspelling die uit stond.
Vrijdag zou ik gaan fietsen, woensdag was ik opeens toch nog niet zo lekker en hing ik ‘snachts met mijn hoofd boven de WC. Ik zag mezelf al met een treurig gezicht naar buiten kijken door het raam van de trein naar Leeuwarden.
Maar donderdag knapte ik zowaar helemaal op, kreeg veel honger en vooral veel zin om te fietsen. ‘sAvonds heb ik daarom snel de laatste spullen in mijn aanhanger gegooid en ben vroeg gaan slapen. De wekker stond om vijf uur. Ik ging er van uit dat ik er twee uur langer over zou doen dan anderhalf jaar terug. Het weer zou weliswaar prettiger zijn, maar ook met minder wind mee. Bovendien had ik een aanhanger achter mijn fiets, en dat remt behoorlijk. Dit zou de eerste vuurproef van mijn Noordkaaptraining worden.
Echt snel was ik niet die ochtend, pas om kwart over zes was ik op weg. Nog hartstikke donker, ik verwachte niet voor Bodegraven zonder licht te kunnen rijden. Maar ach, aan het stuk tot voorbij Zoetermeer mis je toch niks.
Als ik op een werkdag zo vroeg door de polder rijd, doet het me altijd weer goed als ik zie dat ik niet de enige ben. Tientallen mensen kom ik tegen, fietsend naar hun werk. Dapper zwoegend tegen de wind op degelijke Batavussen en Gazelles. Eén van de weinige Nederlandse tradities waar ik echt trots op ben. Vooral als je bedenkt dat het overgrote deel van hen prima een gemotoriseerd vervoermiddel zou kunnen betalen, maar uit sportiviteit of eenvoudig nuchterheid toch de fiets pakt.
Bij Boskoop begon het te schemeren. Om mij heen kijkend kreeg ik het vermoeden dat het een heel mooie fietsdag zou worden. De hemel kleurde rood, nevel lag op de weilanden. De tweede zonsopgang die ik zie deze maand, dacht ik en besloot dat ik dit maal alle tijd had om een foto te maken. Voorbij Zwammerdam zet ik mijn verlichting uit.
Langs de Meije krijg ik een hongerdip: veel te vroeg, normaal gesproken is het in orde wanneer ik binnen drie uur na mijn ontbijt weer met eten begonnen ben. Blijkbaar had ik de afgelopen dagen zoveel voedsel gemist dat het bord nasi binnen anderhalf uur opgestookt was. Gelukkig had ik zestien boterhammen en een doos Liga’s mee. Langzaam ging het weer sneller. Ik keek op mijn horloge en probeerde te herinneren hoe laat ik hier reed bij mijn vorige tocht naar Harlingen. Tussen zeven en acht uur ben ik er, luidde mijn conservatieve conclusie.
Bij Muiden reed ik een Quest achterop; een man uit Monnickendam was op weg naar z’n broer in Hengelo. We reden samen een stukje op tot na de Hollandse Brug, alwaar hij oostwaarts ging, en ik het buitendijkse fietspad naar het noorden koos. Er stond een gunstige wind. Niet hard, maar wel uit de goede richting. En het was erg prettig weer. Ruim voor twaalven passeerde ik Lelystad, om één uur zat ik met een espresso en een stuk appeltaart op een terras in Emmeloord. Het ging goed, ik vermoedde dat ik wel eens binnen elf uur in Harlingen zou kunnen zijn.
Omdat ook pauzeren één van mijn zwakke punten is, besloot ik een tweede espresso te bestellen. Drie kwartier bleef ik zitten, voor mij een ongekende prestatie. Maar toen kon ik mijn benen echt niet meer stil houden en begon aan de laatste etappe.
In Friesland werd het uiteraard alsnog zwaar. De wind draaide ongunstig en trok aan. Opnieuw miste ik ergens een fietsbordje waardoor ik zeker twintig minuten kwijt raakte bij Koudum. Maar toen ik de weg naar Workum eenmaal gevonden had, wist ik dat het gelukt was. Binnen elf uur zou ik Harlingen bereiken. Net voorbij de haven van Workum kreeg ik een racefietser in mijn wiel, die het tot Makkum volhield. Ik moest er wel een beetje aan trekken om hem zoek te rijden, maar het gaf toch een triomfantelijk gevoel na ruim tien uur fietsen met een aanhanger.
Vijf voor vijf stond ik in de haven bij de Condor. Mooie tijd voor een ambtenaar.