Sinds mijn rit naar Mørsvikbotn ben ik plotseling 30% meer gaan eten. Ik denk dat het gas er een beetje af moet.

Gisterochtend reed ik pas om half tien van de camping weg, maar om 12 uur had ik mijn gesmeerde boterhammen al op. Vandaag weer. Dat betekent dat ik mijn dagelijks brood nu in een ochtend opeet. ‘sMiddags nog een half brood. Verder eet ik een heel pak koekjes in plaats van een half, en 200 g chocola ipv 100 g. En nu zit ik, nota bene als vegetariër, aan een warme lunch met zalm die ik wegeet alsof het twee boterhammen zijn.

Ik denk dat de grenzen van mijn kunnen in zicht komen.

Gek genoeg is mijn snelheid niet gedaald. Ik rij nog steeds zo`n 20 tot 25 km/h RT gemiddeld. Als ik op zo’n helling denk dat ik niet meer kan, kijk ik naar voren en zie de ketting gewoon op het middenblad liggen. Kijk ik opzij dan zie ik de paaltjes van de vangrail in een heel aardig ritme voorbij komen.

Maar blijkbaar zijn de reserves gewoon op. Mijn lichaam heeft meer hulpbronnen en tijd nodig om te herstellen. Ik vrees dat ik het gas er een beetje af moet halen om het vol te houden. In Noorwegen heb ik een gemiddelde van 160 km per dag aangehouden. Dat zal terug moeten naar 120 á 130 km per dag.

Vorig jaar bereikte ik dit punt al na drie weken, nu na viereneenhalf. Het gaat op zich heel goed dus. Ik heb ook voldoende marge opgebouwd om nu met twee vingers in de neus naar huis te rijden. Mijn planning is goed.

Maar of het nog gaat lukken om een of enkele van de drie grote cols te beklimmen die ik als extraatje voor het eind van de tocht had bedacht, is maar de vraag. Dat zou heel goed toch teveel gevraagd kunnen zijn.

Sognefjell loopt niet weg. Dat kan later ook nog wel. Waarom niet een keer een vakantie met daarin alle grote cols in het zuiden van Noorwegen? De Rv258 moet tenslotte ook nog steeds een keer. Dus deze drie kan ik ook wel uitstellen.

Aan de andere kant, ik ken mezelf. Voordat ik in Oslo ben, geloof ik niet dat ik Sognefjell echt laat liggen.