
Jaarsveld is een bijzondere mijlpaal, besef ik wanneer ik het nader over de Lekdijk. Ik volg de route naar Boekelo die ik al zo lang gebruik dat ik hem volledig uit mijn hoofd ken, en nu sta ik pas stil bij Jaarsveld. Het dorpje ligt op ongeveer een kwart van de route. Mijn eigen provincie heb ik dan net verlaten. Het volgende kwart volgt nog de rivier. Het derde kwart gaat vanaf Wageningen door de bossen, de Veluwe over. Tot Eerbeek, waarna het laatste kwart van de route door het coulissenlandschap voert.
Het is tekenend voor hoe afwisselend de route naar Twente is. Ook het kleine Nederland is heel divers in landschappen. Elke lange rit door Nederland geniet ik er weer van.

Het is de bedoeling dat deze eerste etappe ook de langste van deze reis zal worden. Ik had grootse plannen voor deze zomer, maar bij één van de trainingsweken die ik dit voorjaar in Duitsland had, ging het mis. Mijn conditie is misschien beter dan vorige zomer, maar een zesduizend zit er nog niet in. Ik heb domweg meer rustdagen nodig dan één per week.
Dus werkte ik het kleinere plan uit, dat ik al had klaarliggen voor het geval dat. Naar de Oostzee, een korter stuk door Zweden, ter hoogte van de grote fjorden Noorwegen in, en dan zuidwaarts, over Jutland naar huis.
Ook in Boekelo zijn vakantievoorbereidingen gaande. In de woonkamer liggen half ingepakte fietstassen en aanhangers. Ik arriveer rond etenstijd en blijf één nacht. En vooral een avond, waarin we ontdekken dat ook in Portugal uitstekende brandewijn wordt gemaakt. De fles die ik van mijn favoriete slijter in Rijswijk had meegenomen, overleeft het niet.

Gelukkig was ik daar niet de hoofdschuldige aan, zodat ik de volgende ochtend redelijk fris op de fiets zit. Lichamelijk dan, want het regent en ik ben emotioneel, op het huilerige af. Want bij de gesprekken tijdens de brandewijn hadden we het over Gaza gehad en zei ik dat als ik terugkeer van deze reis, er waarschijnlijk honderdduizenden mensen bewust zijn doodgehongerd. Nu ik mijn laatste pleisterplaats in Nederland verlaat, kan ik die gedachte lang niet loslaten. Ik weet wat het nieuws gaat zijn als ik hier terugkeer, of ik mij nu afsluit van de wereld of niet.

Zoals altijd als ik zo’n geestestoestand zit, focus ik op het landschap. Vanaf Oldenzaal heb ik een andere route dan in voorgaande jaren. Ik zwerf door een bijzonder, heuvelachtig gebied dat ik nooit eerder verkende. Slechts een paar kilometer naast mijn gebruikelijke route. Eigenlijk is dit wat ik betoogde in mijn lezing afgelopen herfst. Accepteer dat je in je leven maar een heel klein stukje van de Aarde kunt zien. Je slaat een keertje rechtsaf in plaats van rechtdoor en je bent al in een andere wereld.

Ook vanaf Denekamp is mijn route anders dan gebruikelijk, met teleurstellend resultaat. Lang zit ik op smalle fietspaden naast N-wegen, vaak tussen maisvelden. Een stuk langs het Eems-Vechte-kanaal is fijn, maar daarna wordt het landschap pas weer mooi als ik over de Eems ben.
Misschien zijn het deze zaken waardoor ik aan het twijfelen sla over waar ik zal kamperen die nacht. Sowieso moet het een kortere dag worden om mijn lichaam rust te gunnen. Er is een optie op ongeveer 120 km, vlakbij een klein stadje genaamd Werlte. Zo’n 25 km verderop is een klein stuwmeer met heel veel campings er omheen. Wellicht is dat waar ik in september 2012 een nacht doorbracht. Die avond hing er een bijzondere sfeer, waar ik toen uitgebreid over heb geschreven. Ik twijfel nu tussen die bijzondere herinnering, en het comfort van een klein stadje op vrijdagavond.

Na lang wikken en wegen kies ik voor Werlte. De laatste paar kilometer lijken ook wel zo lang te duren, dat het fysiek waarschijnlijk de beste keuze was. De camping is comfortabel, met verblijfsruimte en al. Maar het stadje zelf valt tegen. Uit eten is oke maar niet geweldig en er lijkt niets van een uitgaansleven te zijn.
Als ik terugwandel door de schemering ben ik wel weer blij. Het is hier mooi en stil. Ik ga nog even in de verblijfsruimte zitten tot ik slaperig genoeg ben. Wie zegt dat ik dit aan het stuwmeer ook zou hebben gehad.
Als ik de volgende dag langs het stuwmeer fiets, weet ik nog steeds niet of het dezelfde plek is als dertien jaar terug. Ik weet ook nog steeds niet of ik de juiste keuze heb gemaakt.

Misschien wilde ik wel te graag naar de Elbe. De wind had ik mee, het was halfbewolkt. De route ging door bossen en de aangename groene tunnels van Nedersaksen. Het moest mogelijk zijn om vóór zes uur bij een camping op Krautsand te zijn. Wellicht gunde ik mezelf daardoor iets te weinig tijd voor de koffiepauze. En voor het landschap. Nadat ik bij Juliusplate de Weser had overgestoken, ging de route geleidelijk over steeds grotere wegen, die steeds vaker door maisvelden van elk uitzicht werden beroofd.
Pas als ik de Oste nader, besef ik mijn fout. Normaal gesproken zou ik allang van de route zijn afgeweken, over kleinere weggetjes. Zelfs het prachtige dorp Osten zie ik zo alleen.vanaf de grote brug.

Het laatste stuk pak ik dan eindelijk weer kleinere wegen, maar dat is dan nog slechts een kilometer of tien. Ik zie weer hoe mooi en intens groen het landschap van Noord-Duitsland is, als je de grote wegen en maisvelden weet te mijden.
Avond. Ik wandel richting het dorp voor een eenvoudige maaltijd. Er is een trap de rivierdijk op, en dan zie ik voor het eerst deze reis de Elbe. Ik schiet vol.

Je emoties bij Gaza zijn heel herkenbaar. Volgens mij hebben buitengewoon veel mensen dat nu ook. Toch: veel (toenemend) fietsplezier, weinig maïs en goede herinneringen aan eerder!