‘It’s a spectacular road! The other one is a shit road! It adds nothing. You should ride the old road’.
Wie denkt dat Noren stug en bedaard zijn, heeft ze nog nooit over de bergen horen praten. Maar deze man was wel erg gepassioneerd. En hij kende deze omgeving. Ik ben niet iemand die snel afwijkt van het plan dat ik gemaakt heb, maar nu neigde ik naar een uitzondering. Ik nam afscheid van de man en ging de supermarkt in. Dronk koffie en hakte de knoop door.

Het was de eerste volle dag in Noorwegen. Een dag van regenjas aan, regenjas uit. Ik was begonnen in Mandal, waar ik na aankomst in Kristiansand heen was gefietst omdat ik na twee weken noordwaarts fietsen, te ongeduldig was om daar te blijven. Ik moest gewoon een stuk door Noorwegen fietsen.

Goeddeels bekend terrein, het was min of meer de Noordzeeroute. Her en der kleine afwijkingen omdat ik de tracks onderweg gemaakt had. Maar nu koos ik voor een forse afwijking. En waarom ook niet.
Ik zette een waypoint op het begin van de Bøensbakken, zoals de oude weg heet. Ik vermoed dat het een gravelweg is en hij zal ook flink steil zijn, de nieuwe weg gaat door een tunnel.
Ik kom bij de zijweg van de hoofdweg, waar Bøensbakken op zijn beurt weer een zijweg van is. Het is hier al gravel, dus die aanname klopt. Maar het is goed, hard ingereden gravel dus het kost nauwelijks energie en ik hoef niet de hele tijd om de gaten heen te sturen. Ik kan kijken.

Bij een paar huizen in het bos begint het. Vrijwel direct kom ik langs een waterval die door het bos naar beneden komt zetten. Ik rij er voorbij maar keer zelfs even terug om er naar te kijken. Alleen dit al is het waard. Zelfs als ik straks er toch niet door kom, was het niet voor niks.
De weg gaat verder langs een meer. Hij stamt duidelijk van voor de uitvinding van de vangrail, want tussen de weg en het meer staan alleen grote stenen op hun kant, als de kantelen van een kasteel.
Na een gehuchtje is de weg gesloten voor motorvoertuigen. Hij wordt smaller en gaat vrijwel direct omhoog.
Een weg die langs een meer de hoogte zoekt, betekent meestal een steile rotswand. En dus uitzichten. Maar voor ik die krijg zit ik in dicht bos, met bemoste stenen en beekjes. Een kleine, intieme galerij van groen.

De rotswand wordt vrijwel verticaal. De weg is een smalle richel hoog boven het meer. Ik zie het liggen in de diepte, tussen bergen die allemaal zo steil lijken als die waar ik nu op rij. Het klimmen gaat lekker, ik heb alle kans om over het hekwerk van staal en natuursteen te kijken.
De rots krijgt nu zelfs overhang. Water klettert op de weg, ik moet mijn camera aan de linkerkant van mijn lichaam hangen en met mijn arm afdekken om hem te beschermen.
Uiteindelijk vlakt ook deze klim, en draait richting de pas. Het is nog steeds een heerlijk bos, alleen niet meer zo spectaculair.
Onvermijdelijk komt de afdaling en kom ik weer uit bij de hoofdweg. Ik ben sprakeloos. De Noor had geen woord te veel gezegd.

Maar daar hield het niet mee op. De route op mijn GPS ging snel weer van de hoofdwegen af, meer door het binnenland dan de Noordzeeroute. Over kleine wegen door groene dalen waar wat boerderijen en gehuchtjes staan. Het is er stil en het voelt alsof hier nooit iemand fietst. Deze weggetjes zijn niet zo spectaculair als Bøensbakken, maar ik geniet er evenveel van. Deze dag begint mijn mooiste in Zuid-Noorwegen ooit te worden.

Maar ook een zware. Kampeerplaatsen zijn niet dik gezaaid, pas tegen half acht bereik ik de eerste, net even voor Hauge. En dat is pas na een zware klim die niet meer lukt in iets anders dan 30/32.
De camping ligt prachtig maar de voorzieningen zijn helaas matig en dan is-ie ook nog duur. Het lukt me om dit van mij af te zetten, en te genieten van een avond vol herinneringen aan de dag.
De volgende ochtend schijnt de zon. Mijn tent droogt terwijl ik met koffie, haverkoekjes en vruchtensap ontbijt. Ik kom maar moeizaam op gang. Het was een lange dag gisteren, maar er is meer aan de hand. Ik besef dat er een rustdag moet komen. De dag die ik kwijt was aan de veerboot naar Kristiansand was niet genoeg. Het gedoe om alles min of meer droog in de tassen te krijgen, aan boord komen en de boot weer verlaten, de weg vinden uit Kristiansand, het kostte niet minder energie dan een gewone dag fietsen.
En dan de emoties. Net als vorig jaar in de Finnmark was ik overmand door blijdschap dat ik het prachtige Noorwegen bereikt had. Ik was door het dolle heen, wist niet waar ik kijken moest. Maar ook dat kost energie.
Eenmaal op weg voel ik het. Een lichaam dat prima doordraait, maar mentaal is de tank opeens leeg. Met moeite haal ik Egersund, waar ik koffie drink bij de bakker. En dan weet ik het niet meer. Ik kan niet meer bedenken wat ik wil, hoe de dag verder moet, waar ik een rustdag kan nemen.
Minstens een uur zit ik daar in de zon. Totaal besluiteloos, uitgeput, de paniek nabij. Ik heb te veel van mezelf gevraagd. Niet lichamelijk maar geestelijk.
Niet dat ik het veel anders had kunnen doen. Die hittegolf kwam gewoon, net als de slechte wegen en alle kleine pechdingetjes. En alle koerswijzigingen en grote en kleine beslissingen die ik daardoor moest nemen. Het is hoe het is. Hier ligt mijn grens.
Ik capituleer en ga naar de camping net buiten Egersund, zet mijn tent op en kook pasta als verlate lunch. Ineens heb ik een honger zoals ik die deze hele reis nog niet heb gehad.