Afgelopen weekend weer naar Schouwen geweest, ditmaal voor een echt lang weekend. Aalke Lida had woensdagmiddag een afspraak in Goes. Het idee was dat zij vanuit Goes op de Dolphin naar Burgh-Haamstede zou fietsen. Ik zou een paar uur vrij nemen, en dan ‘smiddags vertrekken vanuit Den Haag met de Jester plus aanhanger. De afspraak in Goes ging niet door, maar ik wilde graag zo lang mogelijk er tussen uit zijn, dus we besloten toch woensdag te gaan. Aalke Lida nam aan het eind van de middag de trein naar Middelburg, ik zou toch het hele stuk fietsen.

Om de een of andere reden had ik bedacht dat het ongeveer even ver fietsen was via Scheveningen en Hoek van Holland, als via Delft en Schipluiden. Ik had een beetje zitten goochelen met de getallen die ik mijn hoofd had voor de afstanden van een rondje Delft – Den Haag – Scheveningen – Hoek van Holland – Maassluis. Meer dan vijf kilometer kon het niet schelen, dacht ik. Helaas. Ondanks mijn technische opleiding ga ik juist met dat soort sommetjes heel gemakkelijk de mist in. Tijdens mijn studie kon ik altijd rekenen als een dolle, maar had wel heel harde tekenafspraken nodig om niet in de war te raken. Dat heeft me nu ook weer genept; ongetwijfeld heb ik ergens een afstand dubbel gerekend.

Gevolg was dat ik vol goede moed vanaf mijn werk richting Scheveningen fietste. Langs het strand werd de goede moed al weer een beetje getemperd, er stond een nogal brute wind uit de verkeerde richting. Het voelde alsof ik maar de helft van mijn normale snelheid haalde. Controleren kon ik dat niet, ik rijd al anderhalf jaar zonder tellertje. Eenmaal in de duinen probeerde ik mijn snelheid een beetje af te lezen aan de tijd en de afstandbordjes langs het fietspad. Ik wilde toch wel een inschatting maken van mijn aankomsttijd. Ergens bij Monster werd ik ingehaald door een fanatieke mountainbiker. Toen hij me voorbij was daalde zijn tempo tot het mijne, hij had duidelijk last van LIS. Ik ging daarom even naast hem rijden om te vragen hoe hard we nu eigenlijk reden. Te hard om terug te praten, dat was duidelijk. Bij de volgende kruising sloeg hij af.

Het ging al flink richting vijf uur, en ik was nog niet eens bij de Nieuwe Waterweg. Ik schatte dat ik niet voor half zes op de pont zou zijn, hetgeen betekende dat ik meer dan twee uur zou hebben gedaan over zo’n dertig kilometer. De wind en de aanhanger konden dat niet verklaren; ik moest wel in heel slechte conditie zijn. Maarja, ik moest toch naar Schouwen, ik had het grootste deel van Aalke Lida’s kleren in mijn aanhanger, plus het beddegoed, ik kon haar niet laten zitten. Bovendien, als ik terug zou gaan naar Delft, stond dat gelijk aan het opgeven van de poging, iets waar ik niet zo goed in ben op het moment dat ik op de fiets lig. Naar Rotterdam fietsen en de trein nemen zag ik ook niet zitten, ik had geen kaart bij, wat garant staat voor verdwalen en dus een heel late trein. Doorfietsen dus. Op de eilanden zou de wind vast wat minder zijn, langs de Nieuwe Waterweg zou ik hem ruim hebben. Ik had genoeg eten bij me om tot middernacht door te kunnen fietsen.

Bij Hoek van Holland wachtte mij twee minder prettige verrassingen. Ten eerste was het geen vijf maar tien kilometer naar de pont (had ik er echt nog maar twintig op zitten?). Ten tweede draaide de wind door de invloed van de rivier zodanig dat ik hem hoger dan dwars had. Weer kon ik geen tempo maken. Het werd donker. Gelukkig was het niet koud, en regende het ook niet. Ik rekende uit dat ik pas tegen middernacht zou arriveren. Om moedeloos van te worden. Maarja, niet opgeven voordat je in de haven bent, heb ik van oude en wijze schippers geleerd.

Rond kwart voor zes zat ik op de pont. Ik had er tweeëneenhalf uur over gedaan. Misschien was het toch iets meer dan dertig kilometer, maar meer dan vijftien gemiddeld had ik niet gereden. En dat met nog zeventig voor de boeg. Toch kreeg ik bij het oversteken van de rivier weer wat moed. Altijd als ik naar Zeeland fiets, tel ik de zeearmen af die ik oversteek: eerst de Nieuwe Waterweg, dan de Brielse Maas, vervolgens het Haringvliet en tenslotte de Grevelingen. Het zijn in de lage landen belangrijke psychologische stappen voor mij. De eerste was nu gezet, ik was nu echt weg uit de Randstad. Op naar de volgende.

In Rozenburg ging het meteen een stuk beter. Het waaide minder, of in ieder geval voelde ik dat zo. Ik realiseerde me dat ik nog voor zessen de tweede zeearm ging nemen. Het ging opeens beduidend harder dan in die vermaledijde duinen. Aan een bordje las ik dat Brielle ook een stuk minder ver was dan ik me had voorgesteld (hoewel ik dat stuk al honderd keer gefietst heb, maargoed). Bij Tinte ten zuiden van Brielle merkte ik dat het toch nog wel heel hard waaide; op de Natersedijk kwam ik niet heel snel vooruit en in het donker was het lastig om op de weg te blijven. Vooral omdat er natuurlijk regelmatig auto’s met groot licht voorbij kwamen zetten. Wanneer leren die lui nou eens af om buiten de snelweg groot licht te gebruiken? Als je het bij dimlicht niet goed kunt zien, dan rij je te hard!

Hierna kwam ik gelukkig bijna geen auto’s meer tegen op de polderweggetjes. Op de Haringvlietdam had ik ook weinig last van ze, omdat hun koplampen voor mij precies achter de vangrail zaten. En de wind stond dwars op de dam, dus ik had ook weer wat luwte. Ik was zeearm drie gepasseerd. Er zat serieus tempo in. Middernacht zou het niet worden. Tien uur was mijn nieuwe streeftijd. In de verte zag ik de vuurtoren van Ouddorp flitsen.

Ik ben trouwens wel heel blij dat ik deze route zo vaak rijd. Ook als ik op een vrije dag appeltaart ga eten in Zierikzee, neem ik deze route. Ik moet er niet aan denken dat ik de weg had moeten zoeken die avond. Even stilstaan om te plassen of om wat te eten was al niet leuk met deze temperatuur en wind. Laat staan als je om de tien minuten met een zaklampje op de kaart moet kijken. Gelukkig hoefde ik alleen bij Ouddorp heel even na te denken op het punt waar ik altijd even na moet denken, verder kon ik op instinct doorrijden. Op heel donkere weggetjes wist ik zelfs ongeveer wat voor bochtjes er aan zaten te komen.

Ik verliet Ouddorp, het laatste Zuid-Hollandse dorp. Nog even en ik zou de provincie verlaten. Waar ik de vuurtoren dwars had, reed ik opnieuw de duinen in, op weg naar de laatste beproeving: de Brouwersdam. Die lag natuurlijk schuin op de wind, en het is ook de langste van de tocht. Het grote voordeel van de Brouwersdam is dat het fietspad uitstekend belijnd is. In het donker vind je moeiteloos je weg; je moet alleen uitkijken voor kleine stuifduintjes die zich her en der op het pad vormen.

Zoals verwacht, was de wind niet voor de poes. Ik had mijn laagste verzet nodig. Ik vermoedde dat de zee ook wel flink tekeer aan het gaan was, maar ik kon het horen noch zien. Port Zélande kwam voorbij, ik was in de andere provincie. Even verder merkte ik dat ik vergeten was mijn bril op te zetten. Bovenwinds waren nu ook duinen, en ik werd behoorlijk gezandstraald. Ik kneep mijn ogen vrijwel dicht in de hoop dat er niks in zou komen, een lens uitdoen is geen optie onder die condities. Stoppen had geen zin, het eind van de dam was in zicht.

Doodmoe liet ik mij van het hellinkje afrollen. Ik was in Zeeland. Nog even door Renesse heen, door Haamstede en Burgh en dan zou daar een warm vakantiehuisje zijn. Tussen Renesse en Haamstede liep vroeger een weg dwars door een natuurgebied. Deze trok nogal wat sluipverkeer maar was verder volstrekt overbodig, dus een paar jaar geleden is hij weggehaald. Dat zouden ze vaker moeten doen! Door het gebied kronkelt wel een half verhard fietspad. Het leek me in het donker geen goed plan om dit pad te nemen, dan liever een suf recht pad langs de weg. Ik volgde in Renesse daarom de officiële fietsbordjes Burgh-Haamstede (nog maar vijf kilometer! en het was pas half negen). Het bleek dat het kronkelpad inmiddels de officiële route was, dus toen stond ik alsnog voor het wildrooster. Ach, een beetje rustig aan, dan zou het moeten lukken.

Het viel heel erg mee. In het donker stak het pad scherp af tegen de omgeving, en de bochtjes bleken al aardig in mijn geheugen te zitten, ookal heb ik het pad pas een keer of zes gefietst. Wat ik in die keren echter nog niet had gezien, waren reeën. Een paar keer zag ik ze op of vlak bij het pad, ze schrokken niet eens heel erg. Een paar sprongen opzij en dan vonden ze het wel weer best. Kennelijk weten ze dat fietsers het pad niet verlaten.

Om negen uur was ik er. Inmiddels hongerig en toch wel koud. Aalke Lida was er nog niet zo lang, de treinreis naar Middelburg is natuurlijk ook niet heel kort. Het was gelukkig wel warm en er was een douche en pasta. Ze wees me direct op de rekenfout die ik had gemaakt, ik was zeker twintig kilometer omgereden. Vandaar dat het niet op leek te schieten, en vandaar dat het na Rozenburg opeens zo snel ging. Nouja, weten we weer voor de volgende keer. En toen, na het eten, was er een bed.

Uitzicht vanuit het vakantiehuisje bij regen. Uitzicht vanuit het vakantiehuisje, eind van de middag. Uitzicht vanuit het vakantiehuisje, 'savonds. Uitzicht vanuit het vakantiehuisje, zon.

In de dagen op Schouwen hebben we niet veel gefietst, Aalke Lida had een beetje griep en ik was de eerste dag behoorlijk gaar van de tocht. Wel hebben we genoten van een wandeling door de prachtige duinen, van de Oosterschelde, van boeken, lekker eten en ‘savonds een biertje. En van elkaar, natuurlijk. In het huisje is geen internet, geen televisie, een nauwelijks werkende radio. Een krant kopen we niet. De stilte is weldadig.