Dinsdagochtend, om tien voor zeven reed ik weg uit de Tanthof. Het was nog hartstikke donker, voor zover dat bestaat in de Randstad. Ondanks de voorspellingen regende het niet. De beloofde wind stond er wel. Na een paar honderd meter kwam ik er achter dat ik geen tijd bij me had, dus ik keerde toch maar even terug om mijn hartslagmeter te halen. Ik moest om 19:50 de veerboot halen, en ik wilde daarom toch een beetje de tijd in de gaten houden onderweg. Uiteindelijk was het net geen zeven uur toen ik definitief onderweg was.
De eerste tien kilometer van een fietstocht vanuit Delft zijn meestal wat minder geslaagd. Alleen als ik via Schipluiden naar het zuiden ga, zit ik meteen in het open land. Maar nu moest ik naar het noorden, dus zat ik eerst tussen de kassen en bedrijventerreinen. Bij Zoetermeer kun je de weilanden in, alleen is het leuke fietspad op het boezemdijkje al een half jaar afgesloten wegens slecht wegdek. Dat slechte wegdek was er al jaren, en ik had het prettig gevonden als de gemeente het had gerepareerd, in plaats van alleen hekken te plaatsen. Dus ik kon alsnog op het industrieterrein tussen de vrachtwagens slalommen. Goed.
Het is lang geleden dat de windgoden mij gunstig gezind waren, maar nu was het toch zover: de vijf Beaufort stonden in de rug. Via Moerkapelle en Waddinxveen reed ik naar Boskoop, en pas voorbij dat dorp begon het licht te worden. Na Bodegraven was het zover dat ik zonder licht durfde te fietsen. Het ging allemaal wel heel vlotjes. Ik begon met de gedachte te spelen dat ik misschien wel een veerboot eerder zou kunnen nemen, hoewel dat waarschijnlijk een sneldienst zou zijn die geen fietsen meeneemt. En twee boten eerder was toch wel een tikje onrealistisch.
Ik nam het slingerende weggetje langs de Meije, waar het waterpeil precies even hoog als de weg lijkt te zijn. Eén van de mooiste stukjes van het Groene Hart. Op andere dagen en tijdstippen is het hier vergeven van zondagsrijders en brommers, maar nu kwam ik slechts een enkele auto tegen.
Bij Woerdens Verlaat begon het grote vreten, de couscous van die ochtend was kennelijk op. Ook begon het serieuze regenweer, met korte, maar wel steeds fellere buien. Op dit soort tochten is dat irritant, omdat het eten bemoeilijkt. Met handschoenen is het al lastig om boterhammen uit een zakje te halen, en als dat zakje dan ook nog eens achter een rits zit, gaat het gewoon niet meer fietsend. Aan de andere kant wil ik dan ook niet teveel en zeker niet te lang stoppen, omdat mijn knieën dan koud worden. Bovendien komt alles onder het zand te zitten en dat eet ook niet fijn.
Na mijn regenjasje te hebben aangetrokken snel wat boterhammen naar binnen geduwd, en verder richting Vinkeveen en Baambrugge. Ik had geschat dat ik rond de middag in Flevoland zou moeten zijn om de veerboot nog met enige marge te kunnen halen. Het was nog voor tienen toen ik langs het Amsterdam-Rijnkanaal reed. Onder de brug bij Driemond nam ik daarom enkele minuutjes om verder te eten. Het ging gemakkelijk lukken. Zolang mijn fiets niet kapot ging, zou ik zelfs nog alle tijd hebben om ergens iets te eten voor ik aan boord ging.
Om half elf precies reed ik van de brug af. Ik was in Flevoland. De veerboot zou geen probleem worden, eerder moest ik bedenken hoe ik de tijd door zou komen voor vertrek.
Het fietspad over de Oostvaardersdijk is een van de zeer weinige positieve punten van Flevoland. Maar een tochtje over deze dijk mag er dan ook wezen. Tussen de buien door was het vrij helder, ik had uitzicht op Pampus, op het Paard van Marken. Rechts keek ik uit over de Oostvaardersplassen. Vlak bij Lelystad zag ik zelfs een Tjalk zeilen, plat voor het laken, met de vlerken gespreid.
De wind was zeer gunstig. De Jester vloog over de dijk. Voor twaalf uur zou ik in Lelystad zijn. Verder bleef het wel grafweer, en bij de Blocq van Kuffeler kreeg ik ook nog eens een lekke band. Gelukkig is hier een bezoekerscentrum met een luifel over de ingang, waaronder ik rustig kon plakken. Er stopte een auto, de inzittenden stapten uit en ik hoorde iemand zeggen: “Krijg je eerst een bui over je heen, en dan sta je nog te plakken ook”. Benieuwd hoe die mensen zouden reageren als ze hoorden dat ik al vanaf half negen zo ongeveer elk kwartier zo’n bui over me heen kreeg. Vermoedelijk zouden ze me voor gek verklaren. Dat doen mensen meestal.
Ondanks de plakbeurt was ik ruim voor twaalven bij Lelijkstad. Ik had me vast voorgenomen me niet in de war te laten brengen door de rampzalige fietsinfrastructuur maar stug, consequent en hardnekkig het water te volgen. Na diverse bordjes ‘doodlopende weg’ en ‘betreden op eigen risico’ kwam er een bordje ‘alleen doorgang voor langzaam verkeer’. Ik reed zowaar Lelijkstad uit en zat buitendijks, aan het IJsselmeer. Zonder zoeken. Ik geef toe dat ik het de avond tevoren op Google Earth bekeken had.
En de zon brak door. Niet continu, niet heel sterk, maar het werd wel wat minder koud. Ik passeerde de oude Flevocentrale. De kolencentrale is buiten gebruik, terwijl op de dijk een eindeloze rij windturbines staat te draaien. Graag zie ik hierin de overgang verbeeld van vuile fossiele energie naar schone windenergie, maar ik weet dat elke ton kolen die niet in de Flevocentrale gaat, elders op de wereld verstookt zal worden. De windturbines worden er gelukkig niet minder mooi van.
De wind kwam wel steeds meer dwars op de dijk te staan. Het grote windvoordeel was weg. De dijk draaide onder de Ketelbrug door, aan de andere kant pakte ik het fietspad dat de brug op leidt. Ik voelde dat het verstandig was om in Emmeloord een pauze te houden. Op het eerste stuk door de Noordoostpolder kreeg ik het vermoeden dat het snelle rijden afgelopen zou zijn; de wind ruimde tot NW, en de route draaide richting N. Gaf niks, ik lag zo voor op schema dat ik het laatste stuk echt wel wat tegenwind kon lijden. En met een stuk appeltaart en een espresso achter de kiezen zou het zeker moeten lukken.
Na Emmeloord kwam het eindeloze rechte stuk door de Noord-Oostpolder. Akker na akker na akker. Eigenlijk vind ik dit nog een van de mooiste stukken van de IJsselmeerpolders. De strakke geometrie van het landschap en de architectuur van de dorpjes stralen het naïeve vooruitgangsgeloof van de eerste helft van de twintigste eeuw uit. Daarna is er niet veel meer gebeurd; de dorpjes zijn ingeslapen, de vooruitgang is gestold op het moment dat het nog vooruitgang was.
De beide Flevolanden zijn heel anders van karakter; daar is vooral commercie en botte bouwwoede te zien, op sommige plaatsen fanatiek bestreden met nieuwe natuur. Een latere fase van hoe in ons land gedacht werd over vooruitgang, over ruimte, over wonen en natuur. ‘Bataviastad’ is de laatste fase hierin; er is geen enkele moeite gedaan om iets authentieks te maken, het is schaamteloze namaak, het is een slap aftreksel van kitsch. Ook de gedachte van ‘Nieuw Land’ is hier geheel verdwenen, meer dan een shopping mall voor Amsterdam is het niet, op een stukje opgespoten industrieterrein, een uurtje autorijden ver. Het had ook in de Haarlemmermeer kunnen liggen. Bataviastad is wegwerpontwikkeling; zodra outlet centers uit de mode zijn wordt de hele bende afgedankt en gaan de Randstedelingen hun geld weer ergens anders spenderen. Hier wordt gedanst op het graf van de vooruitgang.
Deze drie polders zijn een Museum van de Vooruitgang. Als je van zuid naar noord fietst, ga je terug in de tijd.
Mijn ervaring met deze fietstocht is dat in Friesland het afzien begint. Sowieso is het natuurlijk het laatste deel van de reis, maar ook is de fietsinfra een stuk beroerder, de bewegwijzering is om op te schieten, en meestal rijd ik ook een deel in het donker. Daar kwam nu ook de wind bij; het grootste deel van de rit had ik hem in de rug gehad, vanaf Lemmer moest ik er tegenin. Vlak buiten Lemmer kreeg ik nog een felle regenbui over me heen, maar daarna begon de lucht langzaam maar zeker op te klaren. Ik passeerde de dorpjes Sondel, Nijemirdum en Oudemirdum in het prachtige Gaasterland. Vanaf Rijs volgde ik de fietsbordjes richting Koudum (ze klopten!) en toen zag ik de volle maan. Daar werd ik heel gelukkig van. Het zou weinig moeite kosten om in het donker te rijden.
Bij Koudum werd er aan de weg geklust en dus was het een puinhoop voor fietsers. Een deja-vu. Mijn vorige tocht naar Friesland, een jaar geleden, was het hier precies hetzelfde. Het lijkt Zoetermeer wel. Gelukkig was dit de laatste ergernis. Een fraaie polderweg leidde in de schemering naar de haven van Workum, alwaar ik het tijd vond om mijn verlichting aan te zetten. Mooi haventje, Workum. Vaak met de Trui geweest. Net als Makkum, het volgende doel. Het fietsbordje richting Makkum gaf mij moed; Harlingen was zo’n 15 kilometer dichterbij dan ik dacht.
Op de route naar Makkum ligt het dorpje Gaast, en dat is wel een bezienswaardigheid. Een authentiek terpdorp is iets dat je niet veel meer ziet in Nederland. Veel zijn afgegraven toen men de dijken eenmaal voldoende vertrouwde. Daar gaan we nog spijt van hebben, niet alleen uit cultuurhistorisch oogpunt. In Duitsland weet ik er ook nog een paar, bijvoorbeeld Rysum. Volgende keer dat ik hier fiets moet ik zorgen dat ik iets eerder ben, of meer daglicht heb. Ik wil het wel eens wat beter bekijken. En plaatjes maken, als een doodordinaire tourist.
Het was nu echt donker. Nauwelijks tegenliggers, dat scheelde. De maan was goed zichtbaar. Ze gaf genoeg licht om ganzen in het weiland te zien. Langzaam kwam het gevoel van tevredenheid boven dat ik normaal gesproken pas een uur na aankomst heb, als ik gedoucht ben en achter een kopje thee zit. Deze tocht was bezig om de mooiste te worden die ik ooit heb gereden.
Bij Zurich verwachtte ik de wind mee te krijgen, maar dat viel tegen. Kennelijk was hij helemaal in de noord komen te staan. Het kon me niet meer boeien. Ook de koplampen van de auto’s op de parallelweg deden me weinig. Die sukkels zaten ingeblikt te stressen terwijl ik aan het eind van deze fantastische tocht beloond zou worden met lekker eten en een paar dagen Terschelling.
De kerktorens van Harlingen kwamen in zicht. Om zes uur precies reed ik Harlingen binnen. Langs het Dokje naar de veerbootterminal, de tijden checken. Alles was in orde. Ik had anderhalf uur om wat te eten. In een eenvoudige pizzeria at ik een goede lasagne. Aalke Lida belde, ze was inmiddels ook in Harlingen gearriveerd. Zonder veel moeite vond ze de pizzeria en had nog even tijd om een soepje te eten. Twee uur later stonden we aan boord van de de Condor.
Het was fijn aan boord. Veel gezelligheid met Peter en zetschipper Arie, en niet te vergeten de scheepshond Maat, die natuurlijk heel veel uitgelaten moest worden. Aalke Lida bleef tot donderdagavond, ik wat langer. Op het eiland was de drukte van de feestdagen voorbij. Bijna niemand was er nog. Het eiland was weer in winterslaap gegaan. Het weer stond ook niet naar uitbundigheid. Vaak stond er zeven, acht Beaufort, soms harder.
Op donderdagavond wilden we uit eten gaan in het Amsterdams Koffiehuis. Ik stond aan dek, het was tweeëneenhalf uur voor HW. Het water begon al over de steiger te spoelen, ik riep Peter dat hij snel moest zijn. Na het eten was het bijna HW, we gingen even kijken. De hele kade stond onder water, we moesten biertjes drinken tot ruim na middernacht om weer aan boord te kunnen.
Op vrijdagmiddag nog een laatste, lange
wandeling gemaakt. Langs het Groene Strand, over een smal slingerpaadje langs en soms door het natte, moerasachtige gebied tot de duinen van de Westkop. Daar hebben we naar de Noordzee gestaard. Tenslotte door het binnenduin teruggelopen naar West-Terschelling. Tijdens de schemering kwamen we weer terug in het dorp.
Zaterdag was de enige gunstige dag om de Condor terug te varen naar Harlingen, en dat hebben we toen ook maar gedaan. Omdat ik zondag een afspraak had, moest ik helaas de trein terug nemen naar Delft. Aan de andere kant, misschien ook maar beter. De terugtocht zou nooit zo mooi kunnen zijn als de heenreis. Voorlopig houd ik die herinnering even vast.





