Donderdagmiddag even wat onderdelen gehaald bij Kemper Fietsen. Een nieuwe voorderailleur en nieuwe remblokjes. Voor de zekerheid ook maar een kabeltje meegenomen, mijn achterderailleur werkte niet soepel. Vrijdagmiddag alles d’r op gezet nog getwijfeld over een proefrit. Ik besloot het niet te doen, ik had een vermoeiende week achter de rug met teveel nieuwjaarsborrels en teveel klussen aan websites. Het plan was om vrijdagavond naar Rembrandt en Marieke te gaan, en daar te overnachten voor de wedstrijd. Dus ik zou nog wel een paar kilometer rijden om de blokjes in te remmen en de versnellingen fijn te stellen.
Even voor zevenen ontmoette ik Michiel op station Delft. We namen de intercity naar Breda. Vanaf dat station was het nog vijf kilometer fietsen. Halverwege merkte ik dat het schakelen beroerd ging. Door het rubber van mijn handgreep voelde ik de buitenkabel naar buiten steken. Niet goed.
Rembrandt en Marieke hadden een fijne hartige taart te eten. Veel gekletst over de Ligfiets& en andere ligfietsroddels. Na de koffie en de appelflappen werd het toch echt tijd om naar m’n fiets te kijken. Het buitenkabeltje bleek over een paar centimeter geknikt, maar er zat ruimte zat in om hem in te korten. Na het nodige gepruts was dat gelukt, alleen wilde de binnenkabel niet meer terug er in. Gelukkig had Rembrandt nog een oud kabeltje liggen dat nog niet uit gerafeld was, en dat wilde er wel in.
Bij het proefdraaien bleek het te schakelen, alleen liep de achterrem wel heel erg aan. Ook niet goed. Eén van de zuigers wilde niet goed terug. Gelukkig wist ook hier Rembrandt raad; met een spuit remolie spoelde en poetste hij de cilinder af. Het werkte. De remcilinder gleed weer soepel terug. Het was bijna half twaalf, mijn fiets was klaar voor de wedstrijd. Ikzelf had nog wel een goede nachtrust nodig als voorbereiding op de wedstrijd, dus kort daarna gingen we allemaal slapen. Ik kan me nauwelijks herinneren dat mijn hoofd het kussen raakte.
Om vijf over zeven ging de wekker, om kwart over zeven slaagde ik er in uit bed te komen. Ik zat als een zombie aan het ontbijt, maar daarin heb ik dan ook een reputatie hoog te houden. Het was al bijna helemaal licht toen we de deur uit gingen, maar het was slechts vijf minuutjes naar de kartbaan. Daar snel de bagagedrager en spiegel van m’n fiets gesloopt en toen was het tijd om in te rijden.
Het voelde heel raar. Ik merkte dat ik te weinig gereden had op de Hurri, en dat de afgelopen week mijn conditie niet goed had gedaan. Na een paar rondjes ging het wel vrij hard, maar het voorwiel voelde raar en neigde tot slippen op momenten dat het niet hoorde. En het schakelen ging maar matig. In de tijdtraining lukte het me ook niet om echt voluit te gaan, er was iets heel raars waardoor ik niet op de juiste snelheid de bochten in durfde. Ik maakte ook nog een flinke schuiver, maar dat hoort bij de tijdtraining.
Het resultaat was vrij slecht. 38.6 s. Vorig jaar had ik hem nog onder de 38 gezet. Gelukkig was het net genoeg voor een vierde plaats, zodat ik de finale in kon. In de voorronde reed ik na vijf rondes de pits in. Het ging niet. M’n voorwiel bleef maar wegdribbelen. Een beetje rammelen aan m’n fiets toonde wel erg veel speling. Een deel zat in het voorwiel (niks aan te doen), een deel in het achterwiel (niet ter plaatse iets aan te doen), een deel in de achterbrug (wel iets aan te doen!) Pieter van Oosten kon mij een sleutel 13 lenen, zelf had ik een imbussetje bij.
Bij een Hurri kun je de achterbrug bijstellen door de borgmoer van de zwenkas los te draaien, het hou-de-ketting-op-de-geleiderol-flupje opzij te draaien, en dan met een imbussleutel de zwenkas aan te draaien. Daarna borgen met de moer en het hou-de-ketting-op-de-geleiderol-flupje terugdraaien.
Na afloop van de voorronde maakte ik twee proefrondjes, en na drie bochten kreeg ik opeens heel veel zin in de finale. M’n fiets reedt weer bijna net zo strak als anders. Schakelen wilde niet meer, maar ik kon weer hard en soepel door de bochten.
Het werden wel zware finales, twintig minuten. Dat was niet gunstig, dat betekende dat mijn gebrek aan conditie zou opspelen. De slakkenfinale was een spectakel om te zien. Guus moest helaas afhaken, in de voorronde was hij ongenadig hard onderuit gegaan, de wonden op zijn bil en elleboog maakten dat het rijden echt niet leuk meer was. Edgar was ook al uitgeschakeld met een lekke band. En dan waren er natuurlijk de nodige valpartijen.
De hazenfinale ging aanvankelijk heel aardig. Jimmy en Naan reden hard weg, daar kon ik niet achteraan. Mijn derde plek zou ik misschien vast kunnen houden, alleen had ik Peter Lembregt in mijn zog en dat vertrouwde ik niet. Verder was er weinig concurrentie. Het viaduct was alleen vrij zwaar, zonder versnellingen en met net te weinig energie in m’n lijf. Langzaam maar zeker voelde ik de druk van Peter toenemen. Ik werd nerveus, nam een S-bocht verkeerd en Peter was me voorbij. Helaas kwam ook het jonge talent Pieter van Dyck langszij. We raakten elkaar op de een of andere manier en daar lag ik. Snel weer op de fiets, en de schade herstellen. Ton Valk, die ik net gelapt had, zat weer voor me en dat is een notoir irritant persoon om in te halen.
Iets van drie minuten voor het eind van de wedstrijd, ik was Ton voorbij, had ik kennelijk te weinig concentratie over en schoof in een makkelijke U-bocht onderuit, toen Jimmy mij inhaalde. Hij knalde tegen mij op, moest even z’n stuur rechtzetten, en toen waren we allebei weer op weg. Ondertussen was ik ingehaald door Hans Wessels. Niet goed. Ik wilde hem terugpakken, maar het gat werd te langzaam kleiner. De bel voor de laatste ronde ging, ik gaf het op. Tot mijn verbazing werd ik nog niet afgevlagd, er was nog één rondje over om Hans in te halen. Kansloos natuurlijk.
Totdat Hans dertig meter voor de finish ging liggen. Ik wist hem te ontwijken en gebruikte de laatste meters om Ton voor de derde maal te lappen, en dit keer definitief.
Ik had al met al niet zo goed gepresteerd. Volgende keer moet ik veel en veel beter aan m’n fiets klussen. Alle speling eruit, en als er iets een beetje hapert, niet aarzelen maar vervangen, desnoods het ding naar Kemper brengen. En meer en beter trainen. Nieuwjaarsborrels mijden als de pest. Meer pasta eten. De computer de hele week tevoren niet aanzetten en alle leuke boeken uitlenen. Ik weet dat ik die baan onder de 37 seconde moet kunnen rijden.
En toen nog terug. Daniëlle en Hans wilden naar Dordrecht fietsen, Michiel en mij leek dat wel aantrekkelijk. René reedt ook mee. Het was erg lekker weer, grauwe lucht, en een lekker frisse, harde wind. Een beetje warm alleen. Dood aan het broeikaseffect. Na ons een uitweg gevonden te hebben uit de industrieterreinwoestenij van Breda, zaten we in het open land. Langs allerlei leuke dorpjes en polderweggetjes reden we richting het Hollands Diep. Een deel kwam mij bekend voor van een fietstocht die Aalke Lida en ik anderhalf jaar terug in de herfst hadden gemaakt, van Delft naar Eindhoven. Het was onze eerste lange fietstocht; in alle jaren daarvoor hadden we nooit met z’n tweeën meer dan honderd, honderdtwintig kilometer op een dag gereden.
De oversteek van de rivier was prachtig. Ver uitzicht, ruw water, een handvol binnenvaarders aan de horizon. De monding van de Dordtse Kil.
Ergens onderweg begon m’n ketting toch wel heel moeilijk te doen. Steeds meer draadjes van de kabel van m’n achterderailleur braken, met als gevolg dat de derailleur langzaam maar zeker omhoog schakelde. Met een beetje hulp van Hans zette ik hem ergens halverwege; niks meer aan doen. Meteen draaide ik het hou-de-ketting-op-de-geleiderol-flupje terug, zodat dit niet meer tegen de ketting aan liep. Grumble.
Het leek ons een goed plan om even bij Maia langs te gaan. In het caféetje dat in dezelfde toren gevestigd is, wordt uitstekende espresso en appeltaart geserveerd, dus dat kwam goed uit. Vanaf onze tafel hadden we uitzicht op de polder. De weilanden hadden een diepe kleur groen, bij de dijk een rij kale bomen. In de wolken zaten allerlei felle grijstinten die heel mooi contrasteerden met het groen. Ik baalde dat ik mijn camera niet bij me had.
Na de koffie hebben we nog even bij Maia gekletst, en toen was het tijd om naar huis te gaan. Daniëlle en Hans fietsten door naar Rotterdam, Michiel, René en ik namen de trein. Geen zin om Rotterdam te doorkruisen, en al helemaal niet zonder kaart.
Een zeer geslaagde dag, alles bij elkaar. Mijn gepruts en matige prestaties waren misschien een dompertje, maar het rijden op de baan, de terugtocht en vooral de gezelligheid met de andere liggers maken dat ik dit alles met een grijns op het gezicht zit in te typen.