De schijf van vijf kregen ze samen vol.
K. liet de planten groeien, en A.
zorgde voor de beesten.
Het werd zomer, de vruchten rijpten,
de lammeren werden schapen.
Het werd avond, de zon scheen door
de laaghangende wolken. K.
toonde zijn oogst, en zei
Niets hiervan zal verloren gaan,
ik zal het mijn vrouw brengen en wij zullen eten.
Het werd nacht, en A. nam zijn mooiste dier,
stak zijn mes er in en verbrandde het.
En K. hoorde de lach en riep:
De god is terug! sloeg zijn broer neer,
greep zijn vrouw bij de arm en zei
We moeten vluchten, hier wordt het leven ontheiligd,
de aarde verkracht, niets zal meer veilig zijn.