De Goden der Fietstechniek waren mij niet bijzonder gunstig gestemd de afgelopen maanden. Hoewel ik in alle eerlijkheid toe moet geven dat mijn offergaven ook wat beperkt waren.

Al een jaar was de luchtveer van mijn Hurri lek. De plunjer had aan het uiteinde een slijtageplek. Deze slijtageplek was een ondiep deukje geworden, en als de afdichting van de cilinder er overheen schoof, kon er lucht uitlekken. Als de veer op een lage druk stond, bijvoorbeeld vier tot acht bar, schoof de plunjer regelmatig heel diep in de cilinder, en verloor bij elke beweging wat lucht. Dit werd steeds erger, na verloop van tijd was het binnen enkele minuten gedaan met de druk.

Tijdens mijn fietsvakantie vorig jaar ontdekte ik dat ik dit kon voorkomen door de druk tussen de vijftien en twintig bar te houden. Niet dat hij dan helemaal niet meer lekte, ik moest nog steeds elke dag pompen, maar de fiets was zo wel berijdbaar.

Deze herfst hield het op. Ik kon pompen wat ik wilde, de druk was weg voordat ik het pompje had losgeschroefd. Het gat in de achtervork waar de veer aan bevestigd is, was door alle klappen ook nog eens uitgelubberd. Gevolg was dat ik niet alleen ongeveerd reed, ook raakte het riempje van mijn toptas het achterwiel en begon door te slijten.

Ik probeerde dus om de luchtveer uit mijn Hurri te schroeven. Dat viel tegen; één van de bouten zat zo vast dat als ik probeerde hem er uit te slaan, ik de bevestigingsplaat verboog. Ook kruipolie hielp niet, de bout bleef waar hij was.

Of dat nog niet erg genoeg was, mijn Speedplay X pedalen waren ook volkomen gaar. Het systeem is sowieso niet handig voor huis-, tuin- en keukengebruik met alle slijtagegevoelige onderdelen en de lompe koppelingen onder je zolen. Maar erger was dat de lagers niet goed meer zijn. In het begin had ik geen goede methode kunnen vinden om de lagers te smeren. Gewone vetspuiten zijn te grof om vet in het kleine gaatje te persen. De firma Speedplay verkoopt daarom speciale vetspuitjes, heel duur natuurlijk, en in Amerika verkrijgbaar in tientallen winkels.

In het begin probeerde ik daarom het vet met een schroevedraaier en een lucifer naar binnen te proppen, maar dat lukte blijkbaar niet erg en de lagers zijn heel hard gesleten in die eerste periode. Later vond ik een goede methode: ik zet een knijpflesje vet in een bakje warm water om het dunner te maken. Vervolgens knijp ik vet in een injectiespuit waarvan ik het mondstuk met een mesje heb aangescherpt. Dan stop ik het zuigertje in de spuit en pers het vet volgens voorschrift de lagers in.

Het vet lost het kunstrubber van het zuigertje langzaam op, je moet dus het zuigertje na gebruik er meteen weer uithalen en schoonmaken. Inderdaad, ik werk nu al een paar jaar met de tweede spuit, de eerste kon ik na eenmalig gebruik weggooien.

In ieder geval was bij mijn eerste Speedplay-set het kwaad reeds geschied, en hoeveel vet ik er nadien ook inspoot, de lagers kregen steeds meer speling, tot het moment dat het niet fijn meer reed. Op slechte dagen stonden mijn voeten zo wankel op de pedalen dat ik last van mijn beenspieren kreeg.

Treuriger dan mijn Hurri was mijn stadsfiets er aan toe. Dit was een wankele damesfiets die ik acht jaar geleden van een vriend gekregen had, omdat hij zich er aan ergerde dat ik helemaal geen fiets had en we dus altijd lopend naar de kroeg moesten. Toen ik in het andere uiterste verviel, bleef het een erg nuttige fiets, omdat niemand zo’n ding wil stelen, dit in tegenstelling tot een Hurricane. Voor boodschappen in de stad en bezoek aan filmhuis & café gebruikte ik de fiets altijd, ookal reed het ding verschrikkelijk. Het frame was te slap, de lagers volkomen versleten, de remmen matig. Het rammelde aan alle kanten, maar het reed en met een simpel slot erop wilde niemand het jatten.

Op een treurige avond, toen Aalke Lida hem geleend had om haar eigen Batavus niet bloot te stellen aan het dievengilde, viel de achternaaf uitelkaar en ze kon met de fiets aan de hand vanaf station Delft naar de Tanthof lopen. Vanaf dat moment hadden we samen nog één stadsfiets, en meerdere ligfietsen.

En mijn Jester reed onvermoeibaar verder. Er kan bijna niks aan stuk, en er gaat ook bijna nooit wat stuk. Goed, het is geen fijne stadsfiets, en naar mijn werk kan ik er geen andere kleren op meenemen dan een broek, een paar sokken en een trui of overhemd, maar met een paar schoenen in mijn bureaula kan ik me redden. Ik zat in de bizarre situatie dat ik zonder problemen op de fiets naar de andere kant van het land kon, maar de bus nam naar het centrum van mijn eigen dorp.

En vorige week hield zelfs de Jester er mee op. Het freewheel slipte door, zo ongeveer de lulligste manier waarop je stil kan komen te staan naast de weg.

De luchtveer na 'demontage'. Zichtbaar is ook de slijtplek waardoor de veer stuk is gegaan. Gelukkig was ik reeds begonnen aan het grote winteroffensief tegen fietspech. De kapotte luchtveer verwijderde ik door met de Metabo van Aalke Lida en een groffe boor alle materiaal rond de bout weg te boren. Dat werkte; na heel veel aluminiumkrullen weggeveegd te hebben, kon ik het oog van de luchtveer van de bout afwrikken. Maar daarmee was de bout natuurlijk nog niet weg; ook die moest ik letterlijk aan stukken boren om hem uit de achtervork te krijgen. Dat was één.

De tweede stap nam ik enkele weken terug, toen ik op een mooie vrijdagmiddag naar het centrum van Delft was gelopen om wat inkopen te doen. Ik had me voorgenomen om de trein terug te nemen. De trein?! Ja, zo treurig is het met het openbaar vervoer tegenwoordig in Delft. Als je vanuit het centrum naar Tanthof-Oost wilt, is het vaak de snelste oplossing om de stoptrein naar Delft-Zuid te nemen en dan een kwartiertje te lopen.

Onderweg bedacht ik me dat ik al wel heel lang aan het klooien was zonder stadsfiets, en dat ik gewoon een baan heb en dus geld op mijn rekening. Aangekomen in de binnenstad liep ik naar de Fietsenreus, waar ze wel eens redelijke tweedehandsjes hebben, en kocht een vrijwel nieuwe Union met drie versnellingen en trommelremmen. Zo. Veel fiets voor weinig geld. De komende jaren heb ik een stadsfiets waar ik niet naar om hoef te kijken. Waarom ik dat nog niet eerder had gedaan, is me een raadsel.

Vorige week bracht ik de Jester naar Kemper. In anderhalve dag was de naaf gerepareerd; er bleek een kogellager kapotgegaan. Challenge had de lagers op voorraad, die gingen meteen op de post. Een geweldige service van beide bedrijven. En zoals altijd wanneer John Poot mijn fiets onder handen heeft gehad, rijdt de Jester weer voortreffelijk.

Oude en nieuwe fietsschoenen, met plaatjes Kemper had ook nog een oude veer-demper liggen die ik wel mee kon nemen voor mijn Hurri. Gisteren heb ik deze gemonteerd. In augustus had ik tweedehands een paar Titanium Speedplay Frogs aangeschaft, en een nieuw paar Lake fietsschoenen ter vervanging van het paar precies dezelfde schoenen dat na vijf jaar toch wat uit elkaar begon te vallen. De pedalen dus ook meteen maar overgezet en de bijbehorende plaatjes onder de schoenen geschroefd.

Daarna een testrit. Dankzij de herstelde vering rijdt de Hurri weer een stuk prettiger, en kan ik weer op fatsoenlijke wijze bagage meenemen. De pedalen kost wat meer moeite; het inklikken werkt anders en ze geven niet de enorme bewegingsvrijheid die X-pedalen wel geven. Voor mijn Jester zal ik daarom niet snel afstappen van X. Na twintig kilometer begonnen de Frogs gelukkig al aardig te wennen. Ik denk dat de verminderde kwetsbaarheid en vuilgevoeligheid uiteindelijk toch wel heel belangrijk zullen blijken voor de Hurricane.

Ik ga het nieuwe jaar in met drie fietsen die alle drie weer fijn rijden.