In mijn vorige liglog beschreef ik hoe mijn lijf nogal aan het tegensputteren was. Gelukkig begint er verandering te komen, zij het op een wat andere manier dan ik verwacht had.

De verandering begon vorig weekend, toen Trui op de helling lag. Omdat ik niet bijzonder dol ben op fietsen in Rotterdam, ga ik meestal met de trein. De werf is op vijf minuten lopen van station Blaak. Helaas reden op vrijdag vanaf een uur of tien geen treinen meer naar Rotterdam. Dat hoorde ik pas op het station, dus ik kon weer teruglopen, me omkleden, mijn werkkleding in mijn tas proppen en naar de werf hurricaneren.

Het viel niet tegen. Mijn benen protesteerden niet, het ging niet heel langzaam. In Rotterdam vond ik zelfs de bestemming zonder te verdwalen in wegopbrekingen. De terugweg ging ook soepel. Zondag was een herhaling van vrijdag, compleet met vergeefse wandeling naar station Delft Zuid. Opnieuw beviel het fietsen vrij goed.

Nu had ik het botterbestuur beloofd om maandagochtend te helpen met de tewaterlating. Puntje is alleen dat de tewaterlating rond hoogwater dient plaats te vinden. In dit geval was dat om half zeven ‘sochtends. Gezien de ervaringen met de trein in de voorgaande dagen, leek het me verstandig om te gaan fietsen. Als het dan mis zou gaan, was tenminste de schipper aanwezig, en zou het gemakkelijker zijn om iets te improviseren.

Maandagochtend begon voor mij om kwart voor vijf. Ik nam voor het eerst sinds lang weer een echt ik-ga-fietsenontbijt, couscous met chilisaus. Even na half zes lag ik op de fiets met in mijn tas buitensportkleding waarmee ik ook nog wel op mijn werk kon verschijnen. Om kwart over zes was ik op de werf.

Het was goed gegaan met de trein, Jelle, Martijn en Stefan waren reeds aanwezig. Om half zeven deden we een snel bakkie met de mannen van de werf, en toen ging de Trui weer te water. Half acht lag ze afgemeerd, kwart voor acht was ik al weer onderweg. Om tien over negen zat ik achter mijn bureau met een kop koffie en een draaiende computer. Ik had een schip tewatergelaten en vijftig kilometer gefietst.

Maar waar het hier nu om gaat, is dat ik me onderweg van Rotterdam naar Den Haag steeds beter begon te voelen. Na drie kwartier fietsen begon mijn lijf echt op gang te komen. De lange afstand, daar lijkt mijn fietsconditie terug te keren.

Ik werd er heel optimistisch van. Zouden de lange wintertochten er toch nog in zitten dit jaar?

Afgelopen weekend was de ideale gelegenheid. Wiebe vierde zijn housewarming in Eindhoven, en het beloofde prachtig winterweer te worden. Naar Eindhoven is een mooi stuk om te fietsen, bovendien kon ik bij Wiebe overnachten zodat ik ook terug zou kunnen fietsen. Mocht het tegenvallen, dan kon ik in Dordrecht, Breda of desnoods Tilburg de trein nemen.

Het betekende alleen wel dat ik dit jaar niet naar de kartbaanrace kon. Vier jaar achtereen heb ik veel plezier gehad bij die race. Maar nu stond ik voor de keuze: of een leuke wedstrijd waarbij ik vermoedelijk zeer matig zou presteren en misschien geblesseerd zou raken, of het begin van herstel aangrijpen.

Het werd dus Eindhoven. Aalke Lida en ik hadden éénmaal eerder dit stuk gefietst, en op basis daarvan schatte ik dat het ongeveer zes uur fietsen zou zijn op een kale Jester. Enig zoeken meegerekend zou ik voor het donker binnen zijn bij vertrek om elf uur.

De grote uitdaging bij een toch naar het zuiden is altijd om langs Rotterdam te komen. De ervaring van de tocht met AL hielp me hierbij. Ik reed naar Vlaardingen en pikte daar de LF11 op. Na enkele kilometers loopt deze gelijk op met de LF12, die door de Beneluxtunnel naar Pernis leidt en vervolgens het havengebied doorkruist tot hij bij Hoogvliet bij de Oude Maas uitkomt. Dit stuk is vrij goed bewegwijzerd.

Hierna volgde ik het fietspad langs de Oude Maas tot Dordrecht. Er stond een oostenwind die af en toe vrij sterk was. Gelukkig was het “driekwartiereffect” weer opgetreden. Voordat ik bij de rivier was, was ik op gang gekomen, waren mijn benen warm gedraaid en genoot ik met volle teugen van het fietsen in de winterzon.

Bij Dordrecht nam ik de brug en koerste naar het zuiden tot ik de LF12 weer tegenkwam. Na een nutteloze maar prettige omweg door de weilanden kwamen de Moerdijkbruggen in zicht. Ik was tweeëneenhalf uur onderweg en ik had het Hollandsch Diep onder mijn wielen. Een week geleden had ik dat niet durven dromen.

Een tweede prettige gewaarwording was honger. Echte, gierende fietshonger. Mijn maag voelde weer als de vertrouwde loeiende verbrandingsoven die elk organisch molecuul verteert voordat het de bodem raakt. Het tweede mechaniek van de fietsmachine was weer op gang.

Na een beetje kaartlezen, boterhammen eten en een telefoontje met Aalke Lida, koos ik de vervolgroute langs Lage & Hoge Zwaluwe richting Oosterhout. Dit leek me de beste plek om het kanaal richting Eindhoven op te pikken. In Oosterhout dreigde ik te verdwalen, maar vond een bordje Dongen. Dongen is een kleiner dorp aan datzelfde kanaal, daar moest het zelfs gemakkelijker zijn het kanaal te vinden.

Het fietspad langs het kanaal is rustig, kent weinig onderbrekingen en is meestal van redelijke kwaliteit. Je moet af en toe naar de andere kant van het kanaal, maar verder is het een bijna ideale route voor een lage racer. Behalve in Tilburg zelf gaat het langs bossen, akkers en kleine dorpjes. Om de zoveel kilometer is er een sluis waarbij het kanaal twee meter omhoog getild wordt. Een prachtig uitzicht in de middagzon.

Even voorbij Tilburg begon ik honger te krijgen, en mijn brood was op. Ik zocht naar de repen die altijd wel ergens in mijn tasjes wonen, maar helaas. Geen repen. Het was lang geleden dat ik acht dik belegde boterhammen tijdens een fietstocht verslond. Maar nu greep ik toch mooi mis. Ik overwoog om naar het dichtstbijzijnde dorp te rijden om daar een winkel te zoeken. Veel grote plaatsjes zag ik echter niet op de kaart, en zover was Eindhoven nou ook weer niet. Ik had ook nog wat sportdrank, dus een echte hongerklop zou ik niet direct krijgen. Ik trok daarom mijn trui onder mijn fietsshirt aan om energieverlies te beperken, en ging verder. Ietsjes rustiger, dat wel.

Aanvankelijk was ik van plan om het kanaal te volgen tot ik midden in Eindhoven zou staan, maar op de kaart zag ik dat er vanaf Oirschot een lange rechte weg door bos en heide direct naar het centrum leidde. Gezien de beperkte energievoorraad leek het me bijzonder zinvol deze route te kiezen.

Het was niet alleen een efficiënte route, het was ook een mooie route. Kaarsrecht, maar groen, net als de weg langs het kanaal.

In een oranje avondzon arriveer ik in Eindhoven. In het centrum ben ik even aan het klungelen, maar zodra ik het station gevonden heb, kost het me weinig moeite de nieuwe woning van Wiebe te vinden. Ik heb er zes uur en een kwartier over gedaan.

Op Wiebes feestje zijn twee soorten mensen aanwezig. Zijn oude vrienden uit Delft, en zijn overwegend buitenlandse collega’s van de TUE. De eerste groep is wel wat gewend, veel van hen zijn zelf ligfietsers. Maar de tweede groep was volledig geshockeerd. Dat iemand vanuit Delft naar Eindhoven zou fietsen terwijl er ook treinen rijden, ging er niet in. Hoe vaak ik ook uitlegde dat fietsen een fijne sport is, dat het erg lekker weer was en een mooie route, ze konden het niet begrijpen. Hun vraag wat ik dan al die tijd deed op de fiets tegen de verveling, sloeg mij daarentegen weer met stomheid.

Die nacht sliep ik als een blok. Het bier en de wijn zullen meegeholpen hebben, maar toch denk ik dat het vooral de tocht was die het derde onderdeel van de fietsmachine weer aan de praat had gebracht: het diepe slapen. Ik werd ontspannen en uitgerust wakker. Na een ontbijt van een compleet stokbrood werd ik door Wiebe goed voorzien van proviand. Ik nam afscheid, aanvaardde de terugreis. Mijn benen gaven te kennen dat ze wel iets gedaan hadden de dag ervoor, maar dramatisch was het niet. Opnieuw kom ik na een uur op gang, en gaat het vanaf dat moment steeds soepeler.

De laatste anderhalf uur begin ik wel echt moe te worden. Veel langer dan dit had de tocht niet moeten zijn. Maar elke dorpje dat ik passeer, elke rivier die ik kruis en elke racefietser die ik inhaal voelt als een overwinning op mijzelf, als een volgende trede vanuit het dal waar ik deze winter in zat.