Michiel en ik vonden het geen dag voor haast. Vrijdagmiddag om twee uur stond ik bij hem op de stoep in Zoetermeer. De Jester geprepareerd voor de wedstrijd. Op het laatste moment had ik er toch maar een nieuwe derailleur aan gehangen en de Speedplaykoppelingen aan m’n schoenen vervangen. ‘sOchtends de staartpunt er nog even op, de nieuwe wielen op de aanhanger (oude waren gejat), en kampeerspullen er in.

We drinken een kopje koffie en gaan op weg. Michiel kent gelukkig de weg vrij goed in Zoetermeer, het doolhof dat ik altijd omzeil als een “here be lions”. Via Woubrugge komen we bij de Ringvaart van de Haarlemmermeer. Een vaart die ik heel goed ken, edoch alleen vanaf het water. Dit is de eerste keer dat ik er langs fiets.

Dit water brengt ons bij Amsterdam. Michiel kent de weg goed, we rijden moeiteloos naar het sportpark.

Het kampeerterrein is nog wat leeg, maar er wordt ons beloofd dat dit snel zal veranderen. We zoeken voor onszelf een plekje uit aan de rand van het grasveld met uitzicht op de buitenbaan. Tegen de tijd dat we ons avondeten op hebben, begint het kampeerterrein al aardig vol te lopen en wordt het tijd om met bekenden bij te praten.

In mijn vorige liglog schreef ik al dat de zesuurs de wedstrijd was waar ik het voor deed dit jaar. Dit wilde natuurlijk niet zeggen dat ik de andere wedstrijden ging negeren. Het is immers altijd goed om een beetje in te rijden en het wedstrijdgevoel in de benen te krijgen. Op zaterdagochtend startte ik dus gewoon in de traditionele uurstijdrit. Met het idee niet tot het gaatje te gaan.

Het is me enigszins gelukt om niet te ver te gaan. In de eindsprint wenste ik een terugslagklep in mijn slokdarm te hebben, maar dat was het dan ook. De zesuurs stond zelfs in die laatste halve minuut bovenaan mijn prioriteitenlijstje.

Mijn benen waren los, het parcours was verkend, en ik merkte toch nog een defectje aan mijn fiets op: de kettingrol was gaar, en de stroomlijn zat niet helemaal goed gemonteerd zodat de rol er tegenaan liep. Dat is ongunstig voor de snelheid. Gelukkig was een nieuwe rol op de beurs snel geregeld, en toen liep m’n fiets weer als een zonnetje.

In mijn vorige liglog kondigde ik een bijzonder onderwerp aan. Een nieuwe obsessie. Een droom waarvan het hoog tijd wordt dat ik deze wereldkundig maak. Ik wil een lange fietstocht gaan maken. Ik wil op een goede ochtend in mei Aalke Lida een kus geven, de Fuutlaan en Vinkelaan uitrijden, het spoor volgen tot de Vliet, door Den Haag langs het Malieveld naar Scheveningen en vanaf daar de kust volgen tot ik niet meer noordelijker kan.

En ja, ik neem de veerboot bij Skagen of Frederikshavn naar de overkant. En dan blijf ik de kust volgen. Tot het niet meer noordelijker kan. Ik wil naar de Noordkaap. Op mijn manier: met tentje & benzinebrander in de tassen, D-Lux 2 in de aanslag en lekker doorpezen. Blik op de horizon. Genieten van al die verschillende landschappen en mezelf helemaal leip trappen.

Ik kan nauwelijks nog aan iets anders denken.

Het zal een tocht zijn die veel voorbereiding vergt. Goed trainen, goede gezondheid. Route grondig uitzoeken. Materiaal tip-top in orde. Grammenjagen met verstand. En een heel erg goede fiets.

Op de beurs ontmoette ik de man die mij met dat laatste kan helpen: Paul van de firma Challenge. Zoals bekend rijd ik al jaren fietsen van Challenge met veel genoegen. Vooral de Jester. Als het ver moet, en zeker als er geklommen moet worden, is het een droom van een fiets. Helaas is het echt een wedstrijdfiets: duidelijk niet bedoeld om veel bagage mee te nemen of om over slechte wegen te rijden.

Vanaf het eerste moment dat ik aan de Noordkaap begon te denken, keek ik daarom met een schuin oog naar de Fujin als een hoogwaardig compromis tussen een lage racer en een vakantiefiets. En wat stond er op de Challenge-stand. Een Fujin in vakantieuitvoering. Of liever gezegd, expeditieuitvoering. Dit is serieus spul.

Ik sprak Paul aan, vertelde over mijn grootse plan en vroeg hoe licht een Fujin zou kunnen worden zonder dat-ie vóór de Noordkaap uit elkaar pleurt. “Heel licht”, was het antwoord.

Oei. Het is bekend wat dat tegenwoordig betekent bij Fujins. Paul vertelde over een nieuw FEM-pakket waarmee ze de laatste zwakke plekken uit de constructies konden vissen. Over de verbeterde buizen en onderdelen van niet-Shimano merken die betrouwbaarder, lichter en goedkoper zijn dan die van de bekende merken. En dat ik niet de enige ben met het plan om op een Challenge naar de Noordkaap te fietsen.

De grote vraag waarmee Paul mij naar huis stuurde, is of ik vering wil of niet. Ik heb er echt nog geen antwoord op. Als de voorbereidingen in een verder gevorderd stadium zijn, ga ik nog eens met hem praten over hoe mijn Noordkaap-fiets er uit moet gaan zien.

Een bekend gezegde is dat je het boek waar je over praat, nooit zult schrijven. Aanvankelijk was ik een beetje bang dat dit ook voor verre fietsreizen zou gelden. Maar die angst heb ik niet meer. Het lijkt er eerder op dat het juist goed is om er over te praten; ik krijg er alleen maar meer vertrouwen in dat het mij kan lukken. Het helpt me om over zaken na te denken waar ik zelf nooit aan gedacht zou hebben. En het maakt mijn verlangen naar de tocht alleen maar sterker.

Er was dus meer dan één reden waarom de zesuurs zo belangrijk voor mij was. Als ik mijn droomtocht wil kunnen rijden, dan moet ik toch zo’n zesuurs op een pittig tempo door kunnen blazen. Het was in zekere zin een test voor mijzelf.

Eerst moest er echter nog een kleine wedstrijd gereden worden, het 25k criterium. Veel te kort voor mij, maarja. Het is toch een beetje laf om alleen dat te doen waar je goed in bent, nietwaar. Even na zessen gingen we van start. Michiel met Jan op de tandem, helaas vloog bij hen al snel de ketting er af, hetgeen ze een ronde kostte. Bastiaan met een brak hoofd in z’n kano, Eelke en Marcel op de tandem van Allert & John. David op de RazzFazz met een wieldoekje te weinig.

Het viel voor mij uiteindelijk niet tegen. Ik kon met een redelijk snel groepje meekomen. In de eindsprint moest ik ze echter allemaal laten gaan. Wellicht had ik dieper kunnen gaan, maar mijn maag deed moeilijk en opnieuw dacht ik aan de zesuurs. Die was ook op dat moment belangrijker dan de zes mensen die ik van mij weg zag rijden richting de finish.

Bastiaan moet blijkbaar vaker een brak hoofd hebben. Hij werd derde achter Ymte en Hans in de velomobielklasse.

Om half zeven ging de wekker. Het kostte verdacht weinig moeite om op te staan. Pasta koken en koffie zetten. Sportdrank aanmaken, drinkzak in de stroomlijn prutsen. Nog een vertwijfelde poging mijn darmen wat lichter te maken. En dan naar de start.

Cycle Vision zou Cycle Vision niet zijn als de belangrijkste wedstrijd op tijd zou starten. Ook nu weer stonden we bijna een kwartier te wachten tot alles gefikst en geregistreerd was. Maar wat zou het. Om 8:12 ging het los. Al voor de start was er een groepje gevormd dat in een lekker tempo zou gaan rijden, en dat klopte ook. Na de eerste ronde pakte ik de kop en reed een klein gaatje dicht naar drie mensen voor ons. En dat hielden we ruim anderhalf uur vol.

Ik genoot. Eindelijk kon ik een wedstrijd rijden zoals mijn lijf graag rijdt. Er kwam een brede grijns op mijn gezicht, ik begon flauwe grappen te maken. Al snel kreeg ik de niet te onderdrukken neiging om te gaan zingen. En die stemming werd alleen maar sterker. Jammer dat de anderen niet mee wilden zingen.

We werden gelapt door de snelle kopgroep toen de eerste twee uur bijna voorbij waren. Mijn groepje haakte bij deze snelle jongens aan. Binnen enkele rondjes kreeg ik in de gaten dat we ons kapot aan het rijden waren op deze manier. Het ging de meesten net een tikje te hard, het duurde te lang voordat de gaatjes dichtgereden werden. Het pelotonnetje veranderde in los zand.

Goed, jezelf stuk rijden doen jullie maar zonder mij, was mijn gedachte. Over vier uur zie ik wel wat er van over is. Ik liet los en pakte mijn eigen tempo.

Ik denk dat dit een heel slimme zet is geweest. Het groepje is inderdaad volledig uit elkaar gepleurd, en ik heb sommigen aan de kant zien zitten of later meermaals gelapt. Het voordeel van een groepje is belangrijk, maar bij een zesuurs gaat het er uiteindelijk toch om dat je de wedstrijd uitrijdt.

Hierdoor heb ik zo’n vier uur in m’n eentje gereden. Het boeide mij totaal niet. Mijn lijf voelde goed, ik kon een lekker tempo aanhouden. En mijn humeur leed er niet onder. Ik raakte in een euforische stemming, begon meer en harder te zingen. Eerst Franse krakers, later botterliederen. Toen het wat betrok kwamen er wat melodramatischer liederen in mij op, die ik soms keihard, dan weer zachtjes voor mijzelf zong.

Naarmate de uren vorderden, raakte ik er steeds meer van overtuigd dat ik het aankan. Ik kan naar de Noordkaap fietsen. Ik heb het fysiek, ik heb het moreel. Dit is hoe ik naar de Noordkaap ga rijden: zingend, genietend, en doorbikkelend.

Het publiek merkte mijn stemming ook op. Als ik een keertje stil langs de start reed, kreeg ik het meteen te horen: “Zingen!!”.

Nu moet ik heel eerlijk zeggen dat het niet allemaal rozegeur en maneschijn was. Ik was vergeten om mijn teennagels te knippen, en hierdoor kreeg ik aardig pijn in m’n tenen. Er kwam een moment dat het me teveel werd, en omdat ik toevallig ook net dorst had, stopte ik bij één van de waterpunten, stapte af, zette een vijflitervat bronwater aan mijn mond. Dit was genoeg om mijn tenen tot kalmte te manen.

Ander puntje was mijn matje: als ik mijn staartpunt op de Jester heb zitten, gebruik ik een matje van campingmatjesschuim zodat ik iets lager zit en beter in mijn stroomlijn pas. Na een aantal rondjes begin je dat te voelen. Naar de Noordkaap zal ik een ander matje op m’n fiets hebben.

Maar er was niets dat mijn euforie kon verstoren. Ik fietste, ik fietste lekker en hard, het park zag er elk rondje toch net weer anders uit, af en toe werd ik ingehaald door een bekende of haalde ik zelf een bekende in. En het publiek liet ons niet in de steek.

Toen het vijfde uur vol was, wist ik zeker dat ik het uit kon rijden. Zeker nadat Michiel mij van een flesje water had voorzien. “Strange Colour Blue” van Madrugada drong zich op in mijn hoofd, dus ik ging het maar luidkeels zingen. Als ik toch naar Noorwegen ga fietsen, hoort Madrugada erbij.

De bel voor de laatste ronde ging. Juist toen ik bij het viaduct voorbij gestoven werd door Hans Wessels. In een roes versnelde ik, alsmaar “Noordkaap!” roepend als er even niemand in de buurt was. In het voorbijrijden bedankte ik de baanwachten. De laatste bocht keek ik in mijn spiegel en zag de snelle jongens aankomen. Die gaan mij niet nog eens lappen, besloot ik en zette een heuse sprint in.

De geblokte vlag wapperde boven mijn hoofd, ik klikte uit en gooide mijn benen de lucht in, er was nog genoeg vaart om de top van het viaduct te halen. De zes uur waren vol.

Nog steeds euforisch viel ik na het uitrijrondje in het gras, met een grote waterfles als knuffelbeer. Ik had het gesjeft, en niet eens langzaam, bleek later. Ruim 220 kilometer. Boven mij zeven lowracers en vijftien stroomlijnen.

Noordkaap.