
Op het moment dat ik de grens over ging, brak de zon door. De ochtend was tot dan toe bewolkt geweest, met dreigende regen. Maar op de minuut dat ik Noorwegen binnen ging, sloeg het weer om. Nu ben ik gewend dat er tussen Zweden en Noorwegen een radicale overgang zit, maar die zit dan in het landschap. Hier, een stuk zuidelijker dan bij voorgaande tochten, was dat veel minder het geval.
De overgang zou een taaie blijken dit keer. Het Noorwegen-gevoel liet lang op zich wachten.

Op de kaart bekeken ging ik misschien vrij zuidelijk de grens over, in Zweden voelde het al dagen vrij noordelijk. Filipstad, waar ik mijn rustdag hield, leek het randje van de bewoonde wereld. Het Thaise restaurant was er inderdaad niet meer, wat resteerde waren enkele döner-pizzazaken en een klassiek Scandinavisch cafetaria dat alleen overdag open was. Verder waren er supermarkten en kappers voor de wijde omtrek en een klein oud centrum van houten huizen. Een oude spoorlijn die allang door planten was overwoekerd, en één grote fabriek: Wasa knäckebrod wordt hier gemaakt.

De dag dat ik verder fietste reed ik door dunbevolkt gebied. Geen mogelijkheid voor een koffiepauze. Onhandig, want ik had iets verkeerd gedaan met de kraan van m’n waterzak, waardoor ik na tien kilometer al zonder water zat. Gelukkig had ik nog een vol pak sap. Aan het eind van de ochtend kwam ik langs een huisje waar twee vrouwen in.de tuin mij toezwaaiden. Ik stopte en vroeg om water, wat natuurlijk geen probleem was.
Verder heb ik die dag erg weinig mensen gezien. In de bossen was het zo stil, dat ik de echo hoorde van het inklikken in mijn pedaal.

Heel veel kampeermogelijkheden zag ik ook niet, waardoor ik in Malung al stopte. Ook deze stad voelt Noordelijk. Het centrum van de streek, maar dat betekent weer vooral veel supermarkten, kappers, opticiens, garages en gereedschapswinkels. Het oude centrum is heel klein, er zijn wel wat café’s en restaurants maar allemaal gesloten. Ook de camping zelf is minder dan halfvol. Over een halfjaar zal dit anders zijn. Deze stad leeft van de wintersport.

Mijn laatste overnachting in Zweden was ook de beste. Idre, het laatste stadje voor de grens, aan een brede rivier met twee campings. Over beide staan allerlei negatieve verhalen op Google Maps, ik heb geen idee wat me te wachten staat. Ik kies aanvankelijk voor de eerste die ik tegenkom. Onbemensd, oud en versleten. Er is een keukentje, maar zonder tafels en stoelen. Nauwelijks gasten. Ik loop wat rond en krijg een steeds slechter gevoel. Natuurlijk kan ik hier overnachten, maar ik ga geen fijne avond hebben.
Dus ik ga toch maar kijken naar de andere camping met rare verhalen. Ik heb m’n GPS nodig om hem te vinden, want borden zie ik nergens. Een weggetje loopt vanuit een woonwijkje het bos in, verandert in een gravelweg en dan is daar een slagboom die op slot zit. Ik zet mijn fiets er tegen aan en ga lopend op onderzoek uit.
Een stukje verder het bos in zie ik opeens mensen. Een gebouw dat er onderhouden uit ziet. Met een betere keuken. Om de hoek is een grote verblijfsruimte. Ik ga mijn fiets halen en meld me aan.
In de avond zit ik op een bank in de verblijfsruimte. Hij is ingericht volgens alle Scandinavische clichés. Het voelt als een eilandje van comfort in een uitgestrekte wildernis. Het is zo stil hier. Langzaam wordt het donker. Er hangt wel verlichting maar ik kan de schakelaar niet vinden. Ik laat het maar zo. In het duister en met al mijn wollen truien aan drink ik mijn thee. Noordelijke rust.

De zon scheen die eerste kilometers in Noorwegen, maar het landschap leek nog Zweeds. Tenminste wanneer ik om me heen keek, naar de bomen, de meren, de bosgrond. Keek ik wat verder, richting de horizon, dan zag ik bergen achter de meren. Hoog en ruig. Noors.
Ze kwamen dichterbij. Het fietsen werd zwaarder. De bomen werden gevarieerder, de bodem steeds meer bedekt met lichtgroen mos.

Op de eerste volle dag in Noorwegen deden de bergen zich gelden. Ik had op de kaart gezien dat ik een fjell over zou gaan, een bergpas die mij naar het dal zou brengen waar de E6 doorheen loopt. Die zou ik een stukje volgen tot Otta, waar ik een rustdag wilde houden.
Ik had geen idee hoe hoog de pas zou zijn, ik begon gewoon maar met klimmen. Op het middenblad en soms de granny, het makkelijke klimmen is nu echt voorbij. En zoals altijd hier, is de klim onregelmatig. Er is nooit een duidelijke top. Heel vaak lijkt het wel zo, als beekjes klein worden en nog maar langzaam stromen, en de weg steeds vlakker wordt.

Maar altijd is er dan weer een bocht waarna het weer steil wordt, kleine verzetten nodig zijn en nieuwe toppen in beeld komen.
Uiteindelijk zal de bergpas 1140 meter hoog blijken. Ik zit dan al ver boven de boomgrens. Het weer is koud en onstuimig. De vergezichten zijn adembenemend. Bij elke bocht hoop ik dat de weg nog verder stijgt.
Ergens vlak voor de top haal ik een vrouw in die het fjell op langlauftrainers beklimt. Er is altijd baas boven baas.

De afdaling is uiteraard ijzingwekkend, zowel letterlijk als figuurlijk. Maar het heerlijke gevoel van de berg verdwijnt niet. Beneden, in het plaatsje Ringebu, zie ik een leuke bakkerij waar ik koffie drink om het te vieren. Ik ben terug in Noorwegen. Ik ben ook weer die fietser die zo’n zware berg gewoon doet en geniet van de klim, voor wie het niet hoog genoeg kan gaan.

Er volgt nog een flink stuk langs de E6, die in een megalomaan project wordt uitgebreid tot een snelweg die nogal overbemeten lijkt voor een land met vijf miljoen inwoners. Zeker ook omdat de parallel lopende spoorbaan slechts summier wordt gebruikt.
Op sommige delen is de oude E6 in gebruik genomen als lokale weg, en dat fietst lekker door. Ik arriveer op een mooie tijd op de camping en ga uit eten bij het dorpscafé.
De volgende dag is het Noorwegen-gevoel opeens weg. Ik eet mijn ontbijt en doe de was met de angst dat ik dit helemaal niet aankan. Dat ik nog lang niet toe ben aan een reis die zo zwaar is als deze. Terwijl ik dagelijks het tegendeel bewijs.
Het hoort er soms bij, die twijfels. Reizen op de fiets is niet altijd makkelijk, en dat is maar goed ook want anders kun je net zo goed thuisblijven. Maar nu is het er en het zal me achtervolgen tot de volgende grote bergpas.
