
De E39 is onvermijdelijk hier. Een grote, soms drukke hoofdweg die het zuidelijke fjordengebied verbindt. Er zijn heel wat andere wegen, zeker in vergelijking met het noordelijker Noorwegen. Maar een doorgaande route samenstellen door dit gebied zonder de E39 is niet te doen. Zeker als je veerboten met onmogelijke vertrektijden wil vermijden. Het hoort er gewoon bij, objectief gezien is het verkeer niet gevaarlijker dan de doorsnee 80 km/h-weg in Nederland. Maar gemakkelijk voelt het nooit.
Mijn grote E39-dag van deze reis viel ook samen met de enige dag dat ik in Noorwegen door de regen fietste. Geen prettige combinatie. Maarja. Zowel de regen als de grote weg zouden niet de hele dag duren. En echt bang ben ik er niet voor, als iemand die in het dagelijkse leven meerdere keren per week door Den Haag fietst.

Grote delen kon ik over kleine parallelle wegen fietsen. Een deel zelfs over een on-Scandinavisch vlakke weg, over de oever van Jølstravatnet. En ergens op de E39 staat het verkeer compleet vast vanwege een kudde geiten op de weg. Hoofdweg of niet, het blijft Noorwegen.
Niet lang na de koffiepauze in Førde kan ik de E39 achter me laten. Niet definitief, tot aan Kristiansand aan toe zal ik nog regelmatig een stukje over of langs de weg fietsen, maar nooit meer dan een handvol kilometers.

De weg waar ik dan op fiets is smal en stil. En steil. Ik klim door een bos omhoog, vaak in het kleinste verzet. Een bos dat helaas steeds saaier wordt, en de weg vlakt maar niet en de regen gaat door en door. Leuk is anders maar ik ben blij dat ik niet meer wordt ingehaald door vrachtwagens met hun huilend geluid en wolken van opspattend regenwater.
Maar uiteindelijk kan ik naar grotere verzetten schakelen en durf ik het aan de regenjas om te ruilen voor de camera. De zon breekt door. Het saaie bos is dan ook verdwenen. In plaats daarvan zit ik op een prachtig fjell tussen hoge bergtoppen. Ik fiets langs meren en beken, totdat de onvermijdelijke afdaling mij naar kleine en bosrijke dalen voert. Langs een groot meer is nog een zware klim, maar inmiddels ben ik zo gelukkig dat ik met een glimlach omhoog kruip. En ook daarna is het af en toe nog flink zweten. De laatste klim in Noorwegen is nooit echt de laatste.
Er is precies één camping in deze contreien die goed bereikbaar is voor mij, in Birkeland. Een plaatsnaam die ik daarna nog minstens twee keer zal tegenkomen trouwens. Volgens de omschrijving klein, sfeervol en met precies genoeg voorzieningen voor een fietser.

Ik ben behoorlijk gaar van de dag als ik het gravelweggetje afrol naar de oever van het kleine meer waar de camping aan ligt. Er zijn een paar hutjes, wat tentjes en campers. Kinderen zwemmen en spelen met kano’s. Het is veel kleiner dan verwacht. Ik zie geen receptie en het servicegebouw is een kleine hut. Een man heet mij welkom, hij blijkt een gast. Hij vertelt mij dat dit inderdaad de camping is, dat er geen receptie is maar dat de eigenares in de avond komt afrekenen. Contant.
En dat heb ik niet. Alleen nog wat euro’s. Contant geld bestaat bijna niet meer in Noorwegen. Uitgerekend die middag had ik nog gezocht naar een geldautomaat, omdat ik wat nerveus was over het feit dat ik al wekenlang zonder contant geld rondfietste. Tevergeefs. Geldautomaten zijn vrijwel geheel afgeschaft.
Maargoed, dat is van later zorg. Ik kan toch nergens anders heen. Ik zet m’n tent op bovenop een klein heuveltje met picknicktafel en ga douchen. Er is één douche, één WC en één wastafel voor de heren. Oud en simpel. Maar het werkt. Het is heerlijk om na deze dag weer schoon te zijn en warme droge kleren te dragen.

Het keukentje is niet anders. Een tafeltje met twee stoelen, een klein aanrecht. Een fornuis met twee pitjes. Wel ruim voldoende pannen, bestek en servies. Hier ontmoet ik een leuke Zwitserse vrouw die in noordoostelijke richting fietst. We eten samen buiten aan een picknicktafel en praten over onze tochten en het fietsen in Scandinavië. De zon zakt boven het meer, een voor een stoppen de kinderen met zwemmen.
Ze gaat vroeg naar bed, we spreken elkaar niet meer. Maar het is wel heel fijn om tijdens zo’n lange tocht eens met een medefietser te praten in plaats van het gebruikelijke vragen beantwoorden over mijn ligfiets.
De eigenares van de camping is blij met mijn euro’s. Als ik niks had gezegd, had ik gratis gestaan. Dat ze geen digitale betalingsmogelijkheid heeft, zie ze als haar eigen probleem, niet dat van haar gasten.
De regen is in geen velden of wegen te bekennen wanneer ik verder fiets. Hoewel de voorspelling minder gunstig is, vooral voor de avond. Wat niet verbazingwekkend is, ik moet die dag langs Bergen, de natste stad van Noorwegen. Maar dat is pas voor de avond, de hele dag fiets ik in de zon. Flinke stukken direct langs fjorden, wat prachtige uitzichten maar ook heel veel hoogtemeters oplevert. Vanuit het zeer dunbevolkte gebied waar ik kampeerde, kom ik binnen een paar uur in de periferie van Bergen terecht. Voor mij voelt dit als typisch het welvarende zuiden van Noorwegen, met mooie huizen in witgeschilderde hout, in plaats van het stemmige rood en geel dat je noordelijker ziet.

En ja, ik moet weer langs de E39. Maar grotendeels betekent dit de fietsroute die om de weg heen kronkelt. Die regelmatig helemaal naar beneden naar zeeniveau gaat, en dan weer over onwaarschijnlijk steile hellingen terug naar het niveau van de hoofdweg. En hier merk ik weer hetzelfde probleem met mijn achternaaf als ik twee jaar geleden had in Frankrijk. Bij lang en zwaar klimmen werkt het freewheel zich vast. Dat freewheel was in de tussentijd onder garantie vervangen, maar ook dit exemplaar blijkt z’n grens te hebben. Rond 10% begint de gevarenzone. Er zit niets anders op dan tijdens dergelijke klims elke honderd meter even de pedalen stil te houden zodat het mechanisme soepel blijft.
In Knarvik, net noord van de grote brug naar Bergen, hou ik koffiepauze. Ik zoek een camping uit net zuidoost van de grote stad. Goede voorzieningen en ver van de snelwegen. Maar ik zie ook dat ik een beetje door zal moeten trappen om mijn tent droog op te zetten.

Het uitzicht vanaf de brug is spectaculair. Hoog boven het fjord, uitzicht op de voorsteden, grote zeeschepen. En ook de regenwolken die in aantocht zijn. Daarna een onduidelijke fietsroute door buitenwijken en voorsteden, een lang fietspad langs een krankzinnig drukke verkeersweg. Hier komen de kilometers gemakkelijk, maar leuk is het niet.
Wanneer ik deze weg los kan laten, merk ik een probleem met mijn route dat me eerder is opgevallen. Brouter, de routeplanner die ik al jaren gebruik, heeft moeite met Noorwegen. Hij is te scherp afgesteld in het vermijden van hoofdwegen, die vaak helemaal niet zo groot en druk zijn. Vaak is zo’n weg de enige zinvolle route. De alternatieven die de planner kiest zijn soms niet eens fietsbaar, of zelfs afgesloten met hekken.
In het laatste stuk van deze dag uit dit zich in de vorm van onvoorstelbaar steile klims, nog erger dan eerder die dag toen ik het probleem met de naaf opmerkte.
Het gaat allemaal wel goed, maar ik maak me wel zorgen over de fiets. En het kost veel tijd en energie. Later zal ik zien dat er ook een prima route over gewone wegen is.

De camping komt dichterbij en de regen ook. De route is inmiddels wat vlakker en de daling begint voorzichtig. Ik trap hard door om op tijd bij de receptie te zijn. Ik zie de regenwolken laag in het dal hangen, de lucht er onder is al verzadigd van waterdamp.
Bij het inrijden van het dorp zie ik dat de grote stad alweer ver achter me ligt. Twee supermarkten, een benzinestation en een oude spoorlijn. Maar ook de camping en het is nog steeds droog.
Alleen die rij bij de receptie. Ik ben niet de enige en het schiet niet op. Treuzelende mensen, gasten met moeilijke gedoetjes en een tijdrovend inschrijfproces. Terwijl ik wacht begint het keihard te regenen. Met hulp van iemand anders uit de rij zet ik m’n fiets onder het afdak. Dat wordt een natte tent.
Wanneer ik eindelijk aan de beurt ben, is de regen gelukkig alweer wat minder. Ik kan mijn tent vrij dicht bij het servicegebouw opzetten. En daar kan ik de regen goed ontwijken, met een grote overdekte ruimte met picknicktafels, een keuken en een eetruimte binnen.
Waar het uiteraard heel druk is, er zijn meer mensen die de regen willen ontwijken. Maar ik pas er bij, en al snel ben ik gedouched en droog, en zit ik met een groot bord pasta voor mijn neus.

In de keuken hangt een affiche om gasten te wijzen op de verblijfsruimte die in een ander gebouw is. Na de afwas maak ik een mok oploskoffie en loop er heen. Het is een mooie ruimte met banken, tafels, sfeerlicht. Ideaal na een lange dag fietsen, met zwaar weer buiten. Er is niemand.
Ik bel met een goede vriend om even bij te kletsen. Als we uitgepraat zijn, is er nog steeds niemand. Al die mensen die onder de overkapping zaten vanwege de regen, hebben dit niet ontdekt of zitten in hun camper of caravan.
Ik kijk wat naar mijn route voor de komende dagen. Ergens ga ik een rustdag nodig hebben. De kans dat ik een comfortabeler plek vind dan hier, is verwaarloosbaar. Ik zet mijn wekker uit.
De grote wegen zijn niet het probleem, het zijn vooral de toeristen in hun campers waarvan de 2e en 3e in de rij vaak te weinig afstand van elkaar houden om jou op tijd op te merken. Dat is helaas niet voorbehouden aan Noorwegen maar aan heel Scandinavië viel me vorig jaar op.
Kom je thuis en heb je alleen de achterkant van je voorganger gezien. (maar dat vertellen ze er niet bij natuurlijk)
Herkenbaar. Mijn Komoot-route van deze zomer had het probleem andersom: af en toe te drukke wegen waar wel een omfietsalternatief was. Heb me voorgenomen om volgend jaar nauwkeuriger de route na te lopen voor vertrek. Fijn dat het fietsen verder goed gaat en de regen meevalt.