De twijfels waren zwaarder dan de bergen. Mijn eigen gedachten waren enger dat het gebrul van vrachtwagens die mij in de soms kilometerslange tunnels achterop kwamen. Elke keer als de euforie over het landschap een beetje inzakte, kwamen de gevoelens van onzekerheid weer terug. Elke ochtend als ik tijdens mijn ontbijt naar de route van de dag keek, de bergpassen identificeerde zonder te weten hoe zwaar ze zouden zijn. Elke keer als mijn fiets piepte en kraakte onder de krachten van de laagste versnelling. De angst dat ik het toch niet zou kunnen, liet me geen dag met rust.

Terwijl de cijfers op mijn GPS keer op keer het tegendeel bewezen. Dagen van 140, 150 kilometer waren de norm. Ik klom meestal met 10 à 12 hoogtemeters per minuut, niet eens zo ver onder wat ik deed voordat het coronavirus mij te grazen had genomen.

Nu, weken later, begin ik te begrijpen dat ik hier doorheen moest. Dit was de eerste keer sinds mijn ziekte dat ik weer in Scandinavië fietste, afgezien van wat kleine stukjes over de Deense eilanden. En het kwam nu eenmaal zo uit dat het Noorse traject door het zuidelijke fjordengebied moest gaan, in plaats van het rustiger en minder zware Noorden.

Na de rustdag in de omgeving van Bergen was er die andere hindernis van het fjordengebied. Die in principe geen energie kost, maar wel tijd en vooral planning. De veerboten. De lastige had ik er uitgefilterd toen ik in Otta mijn route corrigeerde. Maar wat er overbleef, haalde wel iets van de zorgeloosheid af. De eerste, naar het eiland Stord, is onderdeel van de E39. Dat betekent dat zij frequent vaart, elke 25 minuten. Wel zit er daarmee weer een vrij druk stuk van deze weg in mijn route. Vaak kan ik over fietspaden, soms over ingewikkelde routes over parallelle wegen, maar soms moet ik toch even tussen het rondrazende blik.

In de veerhaven zie ik het schip wegvaren, het is minder dan een scheepslengte van de kade. Er is nog een andere fietser, een Sloveen, die de boot met een nog kleinere marge gemist heeft. Maar de zon schijnt, er is mooi uitzicht dus zo erg is het niet. We kletsen wat over onze fietsen en tochten. Aan boord van het volgende schip verliezen we elkaar uit het oog, maar dat vind ik niet zo erg. Ik heb nog niet de energie voor lange gesprekken. Met koffie in de hand kijk ik uit over het water, de eilanden en rotspartijen. Het is een mooie dag en een lange vaart.

Op Stord kan ik vrij snel de kleinere weg op die langs de westkust van het eiland voert. Een paar honderd meter voor mij fietst de Sloveen. Ik loop heel langzaam op hem in, maar ergens neemt hij kennelijk een andere route waardoor ik hem nooit meer zal zien.

Op mijn tocht naar de Noordkaap fietste ik ook over dit eiland. Het was die dag zwaar weer en ik wilde Bergen passeren, reden dat ik de korte maar grotere weg aan de oostkant pakte. Nu heb ik de tijd voor de mooie en rustige weg, door bos en langs fraaie kustplaatsjes. Per ongeluk pak ik een wat langere route, maar daar heb ik geen spijt van.

Via grote bruggen kom ik op het volgende eiland. Bomlø. Een dunbevolkt eiland met één doorgaande weg, richting de veerhaven van Langevåg. Het landschap verandert, de heuvels zijn lager en vlakker. Ze bestaan steeds meer uit door het ijs kaalgeschraapte rotsen, spaarzaam begroeid met naaldbomen. De weg is zo uitgestorven, dat ik me begin af te vragen of de veerboot eigenlijk nog wel in de vaart is. Meer dan een handvol auto’s komen me niet tegemoet. Een beter plan dan vertrouwen op de website van de vervoersmaatschappij heb ik niet, dus ik fiets gewoon maar door.

Ergens op deze weg zie ik open zee. Voor het eerst sinds de tangosalon in La Cantina, op het strand van Scheveningen. Het lijkt een eeuwigheid geleden.

Weer kan ik de veerboot zien varen, al is ze dit keer wat verder uit de haven. Maar het is ook een uursdienst, dus het kost flink meer tijd. Ik heb inmiddels al uitgezocht waar ik kan kamperen. Er is eigenlijk maar één mogelijkheid, en die haal ik makkelijk, ook met een uur vertraging.

Als ik de boot af fiets, ben ik weer op het vasteland van Noorwegen. Definitief nu. Het is nog steeds warm zomerweer, het landschap relatief vlak. Het geeft wat meer vertrouwen in de goede afloop, ook al weet ik dat er nog heel wat zware bergpassen komen en dat ook de laatste veerboot nog niet geweest is.

Over een klein weggetje bereik ik de camping van Ålfjorden. Een prachtige plek, maar de voorzieningen zijn matig, de boel is onbemand en de prijzen zijn krankzinnig. Zo extreem dat ik het vertik om 20 kronen extra te betalen voor een warme douche, het is toch warm buiten.

Het scheelt dat ik al snel twee leuke Duitse vrouwen ontmoet, zodat ik wat aanspraak heb. In de avond wandel ik wat langs het kleine fjord. Het is stil hier. Ik voel dat ik in een heel ander deel van Noorwegen terecht ben gekomen.

Na een slechte nacht sta ik op in de volle zon. Ik neem de tijd voor koffie en mijn ontbijt, ook al weet ik dat ik een lange dag voor de boeg heb. De logische kampeerplek is een camping waar ik twaalf jaar geleden een rustdag hield. Het was daar goed, maar het is ruim 160 kilometer, er zit een veerboot in en ik verwacht veel klimwerk.
Ik pak mijn spullen in en maak nog even een praatje met een van de Duitse vrouwen. We hebben eigenlijk te weinig gepraat gisteravond, bedenk ik nu.

Het is zondagochtend, en dat is een groot voordeel het eerste uur. De E39 en later de E134 zijn onvermijdelijk, en het is dus wel zo prettig dat er vrijwel niemand rijdt. Vanaf een dorp genaamd Skjold kan ik over op kleinere wegen, die door een landschap voeren dat heel kleinschalig aanvoelt.

De kilometers komen relatief gemakkelijk en het weer is heerlijk, dus de zorgen over de voortgang houden zich koest. In de omgeving van Sandeid kom ik weer bij grote fjorden, en grotere wegen. Met onregelmatige klims en lange tunnels. Het verkeer is drukker, met veel campers en boomers in cabrio’s. Puttend uit mijn lange ervaring met fietsen in Noorwegen houd ik mijn zenuwen onder controle, en geniet van de spectaculaire uitzichten. Ik probeer het landschap te fotograferen, maar het is zo groots en bruut dat het nooit gereproduceerd kan worden.

Ik weet dat ik het ga halen en ik twijfel de hele tijd. Technisch is dit de zwaarste etappe uit de hele reis en ik zit structureel op een real-time gemiddelde van 20 km/h. Ik ga op tijd bij de receptie zijn, vlot mijn tent hebben staan en routinematig een voedzame maaltijd koken. Als ik niet instort ergens op een helling. Als mijn fiets heel blijft. Als ik niet wordt aangereden.

Er is nog een ongemakkelijk puntje. Toen ik in 2013 op camping Watne kampeerde, was de eigenaar een Amerikaanse zendeling van één of andere pentecoastal groepering. Hij runde zijn kerk op het terrein. Ik voelde me er toen op persoonlijke gronden niet 100% gemakkelijk bij, maar inmiddels zijn mijn zorgen breder. Christenfundamentalisten uit de VS hebben voet aan de grond gekregen in zuid-west Noorwegen. Je struikelt tegenwoordig over hun kerken hier. En het is natuurlijk ook geen geheim meer welke rol zij spelen in het afbreken van mensenrechten en democratie.

Bij de veerboot naar Hjelmeland weet ik dat ik het ga halen. Er zit nog een berg in, waar ik over een kleine kronkelweg omheen kan fietsen. Wat in hoogtemeters waarschijnlijk niet veel uitmaakt, maar wel in verkeer. Dan zit ik nog een tijdje op de hoofdweg, maar vol vertrouwen dat ik het ga halen. De laatste kilometers gaan over de oude weg langs een groot meer, om de nieuwe autoweg met bijbehorende tunnels te ontwijken. Het uitzicht is adembenemend.

Netjes op tijd arriveer ik bij de camping. De oude priester is er niet meer, het kerkgebouw is een opslagruimte geworden. De jonge beheerder helpt mij vlot en vriendelijk aan een mooi plekje naast de beek, waar het verkeer op de hoofdweg niet te horen is. Het is druk bij de keuken maar ik hoef niet te wachten op ruimte bij het fornuis. Er staan 165 kilometer en meer dan 2400 hoogtemeters op de teller. Ik eet een enorme hoeveelheid pasta op de veranda, aan een picknicktafel. Langzaam komt de schemering.

Als ik toe ben aan de oploskoffie, maak ik plannen voor de volgende dag. Op de kaart op mijn telefoon lijkt Egersund minder dan 130 kilometer ver. Ik kam het bijna niet geloven, en controleer het via andere apps. Maar het is echt zo. Ik kan in een lichte dag naar Egersund fietsen. Waar een comfortabele camping is. En een mooi stadje op een paar kilometer, waar ik ook op maandagavond uit eten kan. En vanaf Egersund is het nog twee vergelijkbare dagen naar Kristiansand.

Het eind is in zicht en ik ga het eind halen. Zo dubbel. Ik hou zo van dit land. Het is zo mooi. Nooit zal ik genoeg krijgen van de fjorden en de bergen. Maar ik verlang naar het moment dat het klaar is. Dat ik niet meer hoef te klimmen, en vooral niet meer hoef te twijfelen of ik wel kan klimmen.

Ik maak een mok thee en vreet een grote reep chocola weg alsof het een pepernoot is.