Ik zit met een mok oploskoffie op een rotsblok naast mijn tent. Het is vroeg, maar ik heb op zich genoeg geslapen. De vermoeidheid zit in mijn lichaam, veel minder in mijn hoofd. Twee uur later zal ik zo aan boord zitten, op de veerboot richting Hirtshals. Ik heb me voorgenomen niet alleen vandaag, maar ook morgen rust te houden. In het kleine havenstadje waar ik zo veel herinneringen aan heb van eerdere tochten. 

Het is een kust van duinen die ik nu nader. Zachter en tijdelijker dan de kliffen van Bornholm en het graniet van Noorwegen. Maar daarom niet minder indrukwekkend. De duinen zijn al van ver op zee zichtbaar. En de vuurtoren, ouder dan de rest van Hirtshals.

Eind van de ochtend meert het schip af in de haven. Ik rij van boord met honger en ga direct naar de supermarkt en koop zo veel eten als nog in mijn tassen past. Dan ga ik naar de camping. Voor mijn lunch kook ik pasta. Veel. Het schransen zal nog wel een tijdje doorgaan.

Ik ben doodmoe en rusteloos tegelijk. Stilzitten lukt maar heel kort, dan moet ik alweer de was doen, klusjes aan mijn fiets, plannen maken voor de komende dagen. Pas laat in de middag kan ik het wat loslaten en loop ik naar het centrum. Eerst een biertje, daarna zoek ik een restaurant met een fatsoenlijk vegetarisch gerecht op de kaart. Dat valt nog niet mee.

Hirtshals is een buitenpost. De haven is pas een eeuw oud, tot die tijd woonde er nauwelijks iemand aan deze afgelegen kust. En ook nu is het kleiner dan je zou verwachten op zo’n strategische plek. Goed, er vertrekken grote schepen naar Noorwegen, er is de bijbehorende infrastructuur. Maar de visserijhaven is bescheiden en de toeristiek is niet groot. 

Ook het strand is rustig, hoe mooi en zonnig het ook is. Op de tweede rustdag wandel ik in westelijke richting. Op het strand liggen kiezelstenen, sporen van een oudere laag, stabieler dan het rusteloze zand. Keileem. Gecreëerd door het ijs in vroegere tijden. Het komt veel voor aan deze kusten, sommige waddeneilanden zijn er op gefundeerd. Hier in Jutland kalven de duinen soms af en komt het tevoorschijn. 

Ik beklim het duin en bezoek de vuurtoren. De lucht is kraakhelder, het uitzicht is prachtig. In een bijgebouwtje is een cafetaria gevestigd, waar ik koffie met taart neem. Het is er heerlijk stil.

Er is trouwens een prima verklaring voor het geringe aantal mensen op het zo prachtige strand. De wind. Ik heb al best vaak hier de boot genomen, en altijd waaide het en altijd hard. Aan het eind van de tweede middag wordt het te vermoeiend. Ik ga naar de boulevard en drink een biertje achter een windscherm, in de zon. Daarna ga ik uitgebreid uit eten en mijmer over wat de komende drie dagen mij zullen brengen.

Het valt mij deze tocht pas op hoe dunbevolkt deze streek is. Alle vorige keren fietste ik richting de poort naar Noorwegen. Reikhalzend keek ik uit naar die veerhaven, die ik nu juist verlaat. Altijd reed ik in een hoog tempo, wat nooit nodig was maar ik kon gewoon niet anders.

Nu heb ik een korte, rustiger dag voor de boeg. Ik wil naar Thisted, een mooi stadje aan het Limfjorden. Ik fiets dit traject dus zowel in omgekeerde richting, als met een andere bestemming en gemoed. Ik kijk met heel andere ogen naar het landschap.

Ik zie nauwelijks nederzettingen. In de buurt van de stranden kom ik langs dorpjes van vakantiehuizen, waarvan meestal alleen de brievenbussen zichtbaar zijn, in grote clusters bij de hoek van kleine zijwegen die het bos in voeren.

Het keileem kom ik weer tegen, in de vorm van lange heuvelruggen die steil oprijzen uit heide- en grasvlaktes. Vlakbij Thisted gaat de weg door een coupure in zo’n heuvelrug, waar het zichtbaar is. Dit bevestigt mijn vermoeden over de oorsprong van deze bijzondere heuvels. Van al dat fietsen word je toch ook een beetje amateurgeoloog.

De camping heeft een prachtig uitzicht op het fjord. Mijn plekje is rustig, wel wat ver van het sanitair, maar soit. Na het douchen heb ik tijd genoeg om bij de keuken koffie te maken en in de zon op een comfortabele bank op het terras te zitten met een klein beetje uitzicht op zee. En om een binnenband te plakken want dat is een beetje mis gegaan vandaag.

Er loopt een vreemde man rond. Hij praat hard en boos in zichzelf. Duidelijk niet in orde, maar blijkbaar wel gast op deze camping. Ik ontwijk contact, weet niet zo goed of ik hem nou eng of gewoon zielig vind.

Ik loop langs het water richting het centrum. Het Limfjorden ligt er prachtig bij, deze nauwe verbinding tussen Noord- en Oostzee. In het centrum wandel ik wat rond, enerzijds om een restaurant te vinden, anderzijds om gewoon wat te slenteren en de sfeer te proeven.

Ik ga zitten bij een eetcafé aan de haven voor een vegaburger. Er is een fijne sfeer. Na het eten twijfel ik nog even of ik een café zal opzoeken, maar ik heb liever wat stilte.

Ik zie dat de vreemde man in de verblijfsruimte zit, dus ik ga weer op de bank buiten zitten, met warme truien, thee en chocola. Het wordt donker. Dat gebeurt pas laat, want ik ben nog steeds een flink stuk noordelijker dan thuis.

Tegen de tijd dat het koud wordt, is de man naar zijn tent vertrokken en ga ik aan de kleine tafel in de verblijfsruimte zitten. Er liggen papieren op, vol met vreemde getallen, berekeningen, pijlen, woorden en coderingen. Ik herken Deense woorden voor ‘vampier’ en ‘Duitse taxi’.

De volgende dag, als ik vertrek, passeer ik wat vermoedelijk zijn tent is. Een goedkoop ding met een karretje en want ongeordende spullen eromheen. Ik vraag me af of deze man als een halve dakloze leeft, of dat de eenvoudigste verklaring is dat ook mensen met waanbeelden wel eens op vakantie moeten.

Het doel van deze driedaagse is Sønderborg, een stad in het zuiden, vlakbij de Duitse grens. Een huisgenote is hier een paar jaar terug naar toe verhuisd om een gezin te stichten. Plan is om ook hier een rustdag te houden, zodat we tijd hebben om bij te praten. Het is ongeveer driehonderd kilometer en dat besluit ik precies in tweeën te hakken. 

Het eerste deel gaat via bruggen over de diverse takken van het Limfjorden, tot ik op het echte vasteland van Denemarken ben. Het landschap wordt daarmee helaas ook wat saaier, in Jutland kun je over het algemeen beter wat meer aan de kust zitten. 

Klein probleem van de directe route tussen Thisted en Sønderborg is dat je dan uitkomt in de omgeving van Billund. Die plaatsnaam deed een klein alarmbelletje afgaan, en na enig zoeken ontdekte ik dat daar Legoland gevestigd is. Ga daar maar eens kamperen in de zomer. Of überhaupt fietsen, tussen de gezinsauto’s met caravan en door jengelende kinderen gestresste chauffeur. 

Ik had mijn route daar met een klein boogje omheen gepland. Maar met een harde wind in de rug leek ik toch daar in de buurt te gaan eindigen. Op de kaart vond ik een alternatief, alleen deze camping bleek in het brandpunt van een parabolische bocht van de snelweg te liggen, wat garant staat voor een slapeloze nacht.

Twintig kilometer verderop was de volgende optie, maar die gaf me een ongemakkelijk gevoel. Na wat getwijfel keek ik nog eens rond op de site en het leek er wel heel sterk op dat er geen tentplaatsen waren. 

Aan de kust ligt Vejle. Een grote havenplaats waar ook een camping is. Veel verder dan ik had gepland, maar met deze wind haalbaar voor zes uur, sluitingstijd van de receptie. 

Dus dan maar doorfietsen. Wind in de rug en hard trappen. Af en toe de hoofdweg in plaats van de oorspronkelijke route. Ergens in een dorp is de doorgaande fietsroute onduidelijk en kom ik terecht op een ringweg die verboden is voor fietsers. Gefrustreerd trap ik toch maar door, en blijkt geen kip te rijden.

Ik arriveer op tijd in Vejle, maar dan moet ik de stad weer uit om de camping te bereiken en dat gaat steil heuvel op. Straf op de deadline arriveer ik. Om er achter te komen dat op zondag de receptie een uur eerder sluit, want het seizoen is alweer voorbij.

Na het ontcijferen van de instructies zet ik mijn tent op, veel dichter bij het servicegebouw dan de bedoeling is want het is toch heel rustig. Fut om naar het centrum te lopen heb ik niet, liever kook ik zelf in de keuken en eet in de verblijfsruimte. Het was een veel langere dag dan gepland, maar daarmee heb ik straks wel meer tijd in Sønderborg.

Een ander voordeel is dat ik aan de kust ben. Ik begin ‘s ochtends aan het mooie deel van de route, over Kolding en Aabenraa. Vanaf daar via een schiereiland naar de smalle zeestraat die Als scheidt van het vasteland. Vooral op dat laatste stuk heb ik vaak prachtig uitzicht over de Oostzee.

De Oostzee. Weken geleden is het alweer, dat ik een stukje west van Ystad voor het laatst deze zee zag.

Het fietspad maakt vreemde kronkels voordat ik op de brug ben. Daarna is het nog even zoeken naar de supermarkt in het centrum en de camping, maar eind van de middag staat mijn tent en kan ik de mooie wandeling langs het water maken naar het centrum. 

Na wat rondzwervingen strijk ik neer in een groot biercafé om te eten en aan een reisverhaal te werken. Ik voel me er op m’n gemak en neem nog een bier. Het begint weer te wennen, het stadse leven. Met mensen om mij heen, geroezemoes, muziek uit luidsprekers, die ik niet zelf heb uitgezocht en zelden ken.

Nouja, stads. Sønderborg heeft nog geen dertigduizend inwoners en het is maandagavond.

Het weerzien is tijdens de lunch in de bibliotheek. Weinig dingen voelen zo Scandinavisch als een bibliotheek waar je ook kan lunchen. Ik zie Lisette voor het eerst sinds lang en maak kennis met haar kersverse dochter. Het is een mooie zonnige dag. We hebben veel in te halen.

Wanneer de kleine weer naar huis moet, nemen we tijdelijk afscheid. Ik geniet nog wat van de stad, kijk uit over het water. Bij het mooie wijncafé geniet ik van een oranje Grüne Veltliner en ga eten bij een fijne Italiaan. Daarna ontmoet ik Lisette weer bij het biercafé. We praten nog een paar uurtjes. Gek is dat, tijdens de coronacrisis deden we dit bijna dagelijks, maar dan in de gemeenschappelijke keuken, met goedkope wijn uit een doos. Wat gebeurt er toch veel in een paar jaar.

Dan nemen we echt afscheid. Nog één keer loop ik langs het water, langs de bomen en mooie beelden, naar mijn tent. Morgen verlaat ik Scandinavië.