Langzaam rolde de reis uit tot ik weer thuis was. De dagen werden korter en makkelijker, de laatste twijfel of het wel goed zou gaan, verdween. Er was geen tijdsdruk meer.

Ik kon opstaan wanneer ik wilde, maar was toch op tijd weg uit Hamelen. Eerst door het rustige landschap van de Weservallei. Een stukje stroomafwaarts, maar over iets andere wegen zodat het er heel anders uitziet dan een paar dagen eerder.

Bij het verlaten van de Weser is het weer minder fijn geworden. De regen zet niet echt door, maar droog is het ook niet. Ik moet dan door een serie lelijke industriesteden, verbonden door een snelweg waar de route omheen kronkelt. Het is de vervelendste ochtend van de hele tocht.

Melle is het eerste plaatsje dat er beetje vriendelijk uitziet. Hier neem ik uitgebreid koffiepauze in een fijne bakkerij. De regen stopt nu wel en langzaam komt de zon terug. West van Melle is het landschap fijner, met heuvels en kleine valleien. De snelweg hoor ik niet meer.

In de middag arriveer ik in Tecklenburg. De oude vestingstad die vanaf een hoge rots uittorent boven de wijde omgeving. Hier is een oude, wat versleten camping, waar ik beduidend minder vriendelijk onthaald wordt dan de vorige keer. 

Maargoed, ik was toch niet van plan hier veel tijd door te brengen. Liever loop ik dit prachtige historische plaatsje in. Ik wandel door het bos omhoog, dwaal wat door de straatjes en  bezoek de ruïne op de top van de rots. Eten doe ik bij een Indiaas restaurant dat gevestigd is in een primitief bouwwerk op een parkeerplaats. Valt nogal uit de toon bij de rest van Tecklenburg, maar het eten is erg lekker.

In de avond loop ik nog een rondje om de oude burcht, vooral om te genieten van de weidse uitzichten. Ik hoef helemaal niets meer.

De snelweg die mij in de regenachtige ochtend plaagde, loopt helaas ook vrij dicht langs de camping, waardoor ik matig slaap en vroeg wakker word. Zin in uitgebreid ontbijt heb ik dan ook niet en ik lig vroeg op de fiets. Ik volg de route van de Tweehonderd van Boekelo, die ik normaal gesproken in de winter rijd.

In de zomer ziet het landschap er zo anders uit dat ik maar weinig herken. Het laatste stuk fiets ik normaal ook in het donker, bedenk ik later. De industriële monumenten van baksteen die in het zonlicht een stuk kleiner lijken dan in het duister van een koude decemberavond. Het fietspad over een oude spoorlijn die geen donkere tunnel is, maar een groene overkapping van bomen die een aangename schaduw geeft.

Het is een vertrouwde route, die mij brengt bij een vertrouwde pleisterplaats. Ook hier neem ik een rustdag. Tijd om bij te praten, naar de verhalen van de kinderen te luisteren. Maar ook voor een rustige wandeling door het bos en voor herstel van mijn lichaam. Ik heb er veel van gevraagd in Noorwegen, en de gestructureerde rust die ik nu aanhoud, helpt enorm. 

En zo ben ik fit genoeg om de laatste twee dagen te fietsen, door het coulissenlandschap naar de bossen van de Veluwe. Over de rechteroever van de Rijn vanaf Wageningen tot de brug bij Rhenen, en dan via de andere oever naar Culemborg. Dit mooie stadje was vijftien jaar geleden ook mijn laatste pleisterplaats. Omdat dingen nu eenmaal veranderen, had Wijk bij Duurstede een aantal jaren die rol. Maar sinds vorig jaar is het weer Culemborg.

Op het grasveldje bij de jachthaven zet ik mijn tent op. Na de douche neem ik even de tijd om over de rivier en de haven uit te kijken. Ik ben moe maar niet uitgeput.

Als de regen op komt zetten, ga ik door de coupure in de rivierdijk het oude centrum in, om te eten bij hetzelfde restaurant als vorig jaar. Het is één van die kleine tradities in mijn reizen. Rustpunten om de overvloed aan indrukken te verwerken. En nu ook om te vieren dat deze reis gaat lukken, de eerste grote fietstocht sinds ik besmet raakte met covid.

Na het eten ga ik nog een biertje drinken in een luidruchtig voetbal- annex Hollandse hits-café. Het soort café waar ik totaal niet in pas, maar de barman is een meester in gastvrijheid en hij zorgt dat ik me welkom voel. Ik drink Grevensteiner, het ongefilterde Duitse bier dat ik leerde kennen in Anklam, vijf jaar geleden.

Geen fietstocht zonder herinneringen. Ergens zijn ze altijd met elkaar verknoopt.

Zo ook de koffiepauze in Vianen en de rit over de linkeroever van de Lek. Net als zes jaar geleden, de laatste zomer voordat het coronavirus de wereld een kaakstoot gaf die nog steeds nadreunt. Ook in mijn lichaam, maar die echo klinkt steeds zachter. Ik heb weer in Noorwegen kunnen fietsen en het ging niet slecht. Ik ben niet vermoeider dan ik vroeger was na zes weken fietsen.

Wanneer ik in Delft arriveer, valt het laatste beetje spanning weg. Vrienden wachten mij op aan een tafel op het kleine terras aan de gracht. Ik ben wat onhandig met mijn spullen en het neerzetten van mijn fiets, kom niet heel goed uit mijn woorden. Er arriveren steeds meer mensen tot het eigenlijk niet meer aan één tafel past conform de gemeentelijke terrasverordening.

En daarmee eindigt het verhaal van deze reis. Ik heb geen wijze woorden over de lessen van deze reis, over herstel van longcovid, of over fietsen terwijl je niet meer kan wat je ooit kon. Het was gewoon een mooie tocht.