
Woensdag, begin van de avond. Roald en ik zitten op een bankje naast de dansvloer. De laatste minuten van de introductieworkshop zijn aangebroken, wij wachten op het begin van de salon. Veel bekende gezichten zien we nog niet, maar dat zal straks wel anders worden. Het is de laatste tangosalon voor mijn nieuwe fietstocht. Morgenochtend begint het. Ik zal niet zo de eenzaamheid opzoeken als vorig jaar, maar stadse fratsen zoals deze zijn er dan niet meer bij.
De DJ sluit haar laptop aan. Het wordt druk. We dansen met bekenden en wildvreemden. De ene tanda na de andere. Ik weet niet of ik dit zal missen straks, vijf weken lang. Maar ik wil het wel zo veel mogelijk in mij opzuigen vóór die tijd.
Ik hoor de eerste noten van ‘Esta noche de luna. Ik kijk E. aan en zeg: Dit is Pugliese. We lopen naar de dansvloer en nemen flink wat ruimte. We gaan in de embrace. Nog één keer Pugliese.

Ik weet dat de eerste dag niet zo makkelijk zal zijn, met harde oostenwind en hitte. De voorspelde temperaturen zijn zodanig dat ik niet eens begin met een ondershirt en normale sokken. Ik heb afgesproken in Loenen, een camping in de Veluwse bossen. Hopelijk is het daar koeler dan op de open trajecten waar ik de eerste honderd kilometer doorheen moet.
Het eerste stuk valt nog mee, afgezien van enkele automobilisten die niet zo geïntetesseerd zijn in het leven van een fietser. Maar voorbij Krimpen krijg ik de wind vol in het gezicht, en de hitte laat ook niet lang op zich wachten.

Tot Wijk bij Duurstede beuk ik tegen de wind in. Het gaat langzaam en mijn hoofd is er nog niet helemaal bij. Ik ben te rusteloos om een koffiepauze te nemen. Een paar keer zit ik enkele minuten op een bankje om iets te eten, maar dat het dan ook. Maar wel merk ik af en toe al het heilzame effect van gestaag doortrappen in een groene omgeving.
Het laatste stuk naar de camping rijd ik samen met Gert. Hij wacht me op naast het fietspad met twee vouwstoeltjes en een grote fles koel water. Eindelijk heb ik de rust om wat langer te pauzeren. We kletsen wat en rijden dan het laatste stuk door de bossen, veel over stille gravelwegen met af en toe mooie uitzichten.

Het is een fijn weerzien op de camping. Snel zet ik mijn tent op en drink heel veel water. Ik eet met het gezin mee en daarna maken we een avondwandeling in de hoop wild te zien.
Dat lukt. We zien zwijnen met biggen, een edelhert en zelfs een wolf.
Als het donker wordt, drinken we een glas wijn onder de sterren. Helaas stort ik vrij snel in. Ik ben te moe om te praten of zelfs maar te luisteren. Ruim voor middernacht lig ik in mijn slaapzak en val in een diepe slaap.

De oostenwind is er nog steeds als ik afscheid neem. Maar ik heb meer energie en er is veel meer schaduw en luwte. Vanaf Diepenheim volg ik een andere route dan ik gewend ben, en deze is erg mooi en rustig. Een stuk langs het Twentekanaal tot de sluis bij Delden, via Denekamp naar de grens bij Nordhorn. Dan kom ik op het autovrije en grotendeels halfverharde pad naast het Ems-Vechtekanal. Het gaat eindeloos rechtuit maar saai is het geen moment.

Bij Lingen is er wat gedoe met een aansluiting tussen fietspaden die niet blijkt te bestaan, waardoor ik om een enorm industrieterrein heen moet fietsen. Ondanks dat lukt het me om voor zes uur Bippen te bereiken, waar een kleine camping zit. Het komt op mij over alsof het nog niet zo lang nieuwe eigenaars heeft, die stap voor stap het versleten vervangen door nieuw.
Er zijn nauwelijks andere tentjes. Wel rondscharrelende kippen en een eetcafé waar een vegetarische maaltijd samengesteld kan worden. Een grote groep locals zit er ook te eten en vooral te drinken. Ik krijg te horen dat er later die avond livemuziek zal zijn en dat ik er dan vooral bij moet komen zitten. Ik hou het een beetje af, ik merk dat ik hier te moe voor ben.
De zon zakt en gaat van geel naar oranje. De livemuziek begint. Deze blijkt te bestaan uit een zangeres en een gitarist. Aanvankelijk klinkt het nog best goed, maar ik blijf liever alleen bij m’n tafeltje zitten. Er is zo weinig energie. Geroezemoes om mij heen is fijn, maar interactie met wildvreemden is te veel gevraagd.
Later wordt er een kampvuur aangestoken op het grasveld beneden het terras. De gezelligheid verplaatst zich hierheen, maar intussen heeft de wijn de zangkwaliteiten danig aangetast. De zangeres doet nog wel een poging mij ook naar het grasveld te krijgen, maar voor mij is de dag klaar. Deze avond komt te vroeg in deze reis. Ik voel mezelf weer instorten en ga naar mijn tent. Opnieuw slaap ik diep.

De worsteling met zon en wind zijn over. Ineens is het grauw en heerst een bescheiden westenwind. Vandaag trek ik wel mijn ondershirt aan en maak ik me geen zorgen over zonnebrand. Ik ben redelijk op tijd onderweg en ga op weg naar de Weser, de volgende grote rivier die mij scheidt van de Oostzee.
Het is een stille zaterdagochtend. Ik rijd over fietspaden langs doorgaande wegen die vrijwel leeg zijn. Her en der herken ik een plaatsnaam, een dorp, een kleine rivier. Ik heb in de loop der tijd zo veel verschillende routes tussen Twente en de Oostzee gefietst, dat ik wel een aantal moet kruisen deze zomer. Een zo’n kruispunt is Wildeshausen, een kneuterig stadje richting Bremen. Hier neem ik koffiepauze bij een ijscafé.

De zachte wind brengt mij vlot bij Bremen. Normaal gesproken mijd ik steden van dergelijk formaat, maar Bremen is, zeker naar Duitse begrippen, redelijk fietsvriendelijk en zowel in oost-westrichting als langs de Weser vlot te doorkruisen. Hier zijn de noordelijkste bruggen over de rivier, en daarmee een logisch knooppunt in de routes naar Scandinavië.
Eenmaal over de brug is er nog een klein stukje druk centrum, en dan gaat het over een brede fietsstraat langs parken en door mooie wijken richting de grens van de stad. Die heel abrupt is, er is een fietsviaduct over de snelweg en dan zit ik tussen de weilanden.

Dit is niet mijn eerste pleidooi voor langzaam reizen. Het is ook niet de eerste keer dat me opviel welke fijne nuances er in een landschap zitten als je wat beter kijkt, als je reist met een lage snelheid. Dit keer zie ik hoe sterk het landschap verschilt tussen de linker- en de rechteroever van de Weser.
Ik ben onvoldoende poëtisch onderlegd om het te omschrijven en ik weet ook niet zo hoe ik het zou moeten fotograferen. Wat ik zie als ik bij Lilienthal langs een kleine beek verder fiets, is een zachter en groener landschap. Kleine gravelwegen slingeren door weilanden en akkers.

Verder oostwaarts zie ik het begin van het moorenland tussen Zeven en de Elbe, een gebied dat enigszins lijkt op het Twentse coulissenlandschap, maar dan op veen. Vanaf een fietspad vol verzakkingen kijk ik naar het bos achter een graanakker en bedenk hoe fantastisch ik het als kind vond om in zo’n bosrand te spelen. Nu, bijna een halve eeuw later, zijn het spannende en de kinderlijke fantasieën lang verdwenen. Maar dat geeft niet. Ik kijk van een afstand naar de bosrand en geniet van de rust en stilte die het landschap uitstraalt.
