
Naar de zee kijken lukte niet echt. Ik zat op hetzelfde bankje als waar ik een paar jaar geleden urenlang had uitgekeken over de Langelandbelt en de de kust van Lolland daarachter, oplichtend in het zachte licht van de avondzon. Alleen toen was het rustig. Nu waaide het. Hard. Nog steeds.
Er was een moment dat de wind mij hielp. De dag dat ik de boot pakte van Göteborg naar Frederikshavn. Ik was aan een rustdag toe en Frederikshavn leek een goede optie. Een kleine havenstad aan het Kattegat met een goede camping op een paar kilometer van het centrum. Een paar keer stond ik op het punt een plekje te reserveren, maar echt nodig leek het me niet. En ik twijfelde toch een beetje.
Met de haven in zicht werd de twijfel sterker. Het stadje verdween in het niet bij de enorme installaties van de offshore olieindustrie. Complete booreilanden lagen tegen grote betonnen kades. In niets leek het op het soort Oostzeehaven waar ik op had gehoopt.

Eenmaal van boord zette ik koers naar de camping, maar de twijfel werd sterker. Ik besloot om eerst een rondje door het centrum te fietsen. Mooi was het niet. Er was één gezellig straatje met wat cafés en restaurants, maar dat was het ook. Genoeg voor een rustdag, dat wel.
Ik ging weer noordwaarts, richting de camping. Wind mee, dat was ook wel eens prettig. Maar het was verder dan ik dacht, ik moest eerst vier kilometer over een hoofdweg langs industrieterreinen.
Ik meldde me niet aan. Eerst keek ik even hoe het er uit zag. Op zich goed, prima voorzieningen. Goed voor een overnachting. Maar voor een rustdag voelde het te zielloos. En zo ver van het centrum. Dit was gewoon niet de plek voor een rustdag.
Ik dacht aan de stevige wind. Het was minder dan 50 kilometer naar Skagen. Dat kon echt nog wel zo aan het eind van de middag. Ik belde de camping die goede recensies had van fietsers. Er was plek, geen probleem. De knoop was doorgehakt.

Het ging hard. Het fietspad langs de hoofdweg was misschien niet de mooiste route ooit, maar ik was te verheugd dat ik die avond al Skagen zou zien, om me daar druk over te maken. Hoe noordelijker ik kwam, hoe vaker het pad afgescheiden raakte van de hoofdweg.
Uiteindelijk gaat het fietspad helemaal van de hoofdweg af, kronkelend door een prachtig duinlandschap waar ik af en toe de zee kan zien. Ik ben zo gelukkig dat ik deze keus heb gemaakt, ook al heb ik nog geen idee hoe Skagen gaat zijn.
Ruim op tijd arriveer ik op de camping, waar ik vriendelijk word ontvangen. Ik krijg een plek die aan drie kanten beschut is door hoge, dichte heggen. Prettig, want het waait altijd in dit deel van Denemarken.
Het centrum is ook hier een paar kilometer lopen, maar dit is een aangename wandeling. Al snel zie ik dat dit stadje wel mooi is. Ik kies een route door een park en kom dan bij de haven. Visserschepen en loodsen die wel een likje verf kunnen gebruiken. Op een heuveltje een kerk voor Zweedse zeelui.
Iets verder langs het water is een ouder deel van de haven waar vooral restaurants met grote terrassen zitten. Het ziet er aantrekkelijk uit, maar het waait me hier te hard. Ik sla een zijstraat in, onderdeel van het autovrije centrum.
Hier heerst de uitgelaten sfeer van een mooie zomeravond. Mensen flaneren, eten en drinken in de talloze restaurantjes. Ik neem de tijd om wat rond te wandelen en een plek uit te zoeken om te eten. In alles is dit de Oostzeehaven die ik zocht voor mijn rustdag.
Eigenlijk nog meer dan dat. Via bluesky wijst iemand mij op de geschiedenis van Skagen als kunstenaarskolonie. Vanwege de rustige, afgelegen ligging, en vooral ook het bijzondere licht dat hier ‘s zomers is. Het noordelijkste punt van Denemarken, aan drie zijden omringd door de zee.
Na het eten zie ik het licht. Een zachte schemering terwijl de zon allang onder is. Het is magisch.

Tijdens de rustdag dringt tot me door wat voor een bijzondere plek Skagen is. De uiterste uithoek van Jutland, in een dunbevolkte streek. Dat juist daar zo’n mooie, levendige plaats is, waar het leven uitbundig gevierd wordt. Een eiland van feestelijkheid in een zee van stilte en rust.
Ik geniet er met volle teugen van. Ik ga lekker uit eten, bezoek cafés, luister op afstand naar een bandje – dichter naar het openluchtpodium gaan lukt niet want daarvoor spelen ze te hard.
Ook ontmoet ik twee Franse velomobilisten die een enorme tocht maken door Scandinavië om hun dertigjarige vriendschap te vieren. Met viltstift hebben ze op hun fiets de namen geschreven van alle pleisterplaatsen tot nu toe. Een indrukwekkende lijst.

Een rustplaats is altijd tijdelijk dus het is goed om na twee nachten weer verder te gaan. Zuidwaarts, eerst in de richting van Aalborg waar ik het Limfjorden wil oversteken. De route ik daar voor had gemaakt, is op zich mooi, maar bevat veel gravel.
Inmiddels ben ik in een fase van mijn reis dat ik daar genoeg van heb. Elke tocht heeft zo’n moment. De eerste weken vind ik het prima en kan ik genieten van de bosweggetjes waar je vrijwel niemand tegenkomt. Maar er komt een moment dat het te veel wordt. Dat ik het zat ben om altijd maar die kuilen te moeten ontwijken, dat zelfs kleine afdalingen lastig zijn.

Vandaag is dat moment. Ik heb het helemaal gehad. Ik improviseer wat om de track heen, zodat ik over iets grotere wegen rijd. Het heeft me eigenlijk al te veel energie gekost.
Dat wordt niet beter wanneer ik Aalborg doorkruis. Niet de mooiste stad, hoewel er vandaag veel historische zeilschepen te zien zijn. Wel is het druk en de route de stad uit zit vol wegopbrekingen.
Ik weet dan al dat ik het beste mijn tent kan opzetten in Egense, aan de zuidoost hoek van het fjord. Een rustige plek die ik op een schappelijk tijdstip kan bereiken. Met zacht zonlicht en een goede wind in de rug rijd ik het laatste stuk in oostelijke richting.
Het blijkt een goede keuze. De camping is rustig en heeft uitstekende voorzieningen. Ik kook mijn pasta in de keuken en eet aan een tafel in de verblijfsruimte die ik helemaal voor mezelf heb.

In de avonduren maak ik een wandelingetje naar het strand. De wind is zowaar een beetje ingezakt, niet gek voor een westenwind maar de wetten van de Noordzee gelden hier niet. In het licht van de ondergaande zon zie ik de bakens oplichten die op zee de ingang van het fjord aangeven.
Als ik die avond in het donker naar mijn tent loop, heb ik eindelijk dat Noordelijke gevoel dat ik zo hard nodig heb.
En daarmee komt zo veel vermoeidheid los. De volgende ochtend zie ik dat er geen andere optie is dan weer een rustdag nemen. Ik ben totaal uitgeput.

Ik zorg goed voor mezelf. Rond lunchtijd loop ik naar het dorpje waar een minisupermarkt is. Veel hebben ze niet maar wel verse pepers zodat ik een pittige soep met veel groente kan maken. Verder doe ik weinig, afgezien van een wandeling. Ik ben helemaal leeg.
Eind van de middag probeer ik nog wat extra eten te halen, maar dan blijkt de supermarkt na sluitingstijd in een zelfbedieningszaak te zijn veranderd. Daarvoor heb je dan weer een speciale app nodig die onmogelijk werkend te krijgen is als je geen Deen bent. Andere klanten laten me niet binnen met een verhaal dat het echt onmogelijk is om iets te kopen zonder die app, tot er een wat nuchterder Deense arriveert die dat onzin vindt en mij binnen laat. Ze moet even iets fiksen met haar telefoon en dan kan ik gewoon afrekenen met mijn Nederlandse bankpas.
Het extra eten was niet overdreven. Ik schrans als een malle. Mijn lijf heeft zo veel energie nodig.
Mensen die op eigen kracht reizen, reizen met een extra zintuig. Je spieren vertellen je iets over het landschap waar je doorheen trekt. Je voelt de bergpassen, de waterscheidingen, de ruwheid van het reliëf en het wegdek, de wind, de afdalingen.
Zuid van Egense was het heel subtiel en juist daardoor zo mooi. Het laagland aan deze getijdeloze zee is op sommige plekken zo extreem vlak, dat er geen zeewering is, maar je toch het water niet kunt zien vanaf de weg.
Ergens op die weg voelde ik iets in mijn benen. Een minimale toename van de weerstand. Er was geen helling zichtbaar, de hoogtemeter van mijn GPS kon het niet meten. Maar ik voelde dat er een helling moest zijn.
Kilometers verder zag ik de zee. Ik was een paar meter gestegen, net genoeg om het water te kunnen zien. De helling was te licht om zelfs maar ‘vals plat’ te heten, maar mijn benen hadden hem gevoeld.

Mijn oorspronkelijke plan was om het eiland Samsø te bezoeken. Daarvoor zou ik in Aarhus de boot moeten nemen. Maar nog voor ik zelfs maar in Randers ben, weet ik dat ik het niet moet doen. Gedoe met veerboten, een plek zoeken voor een rustdag, het gaat te veel zijn. De bijzondere eiland-ervaring had ik al op Skagen, ook al is dat een schiereiland.
In Randers zoek ik de bakkerij waar ik ooit eerder koffie dronk, maar ik kan niet terughalen welke tocht dat was. Inmiddels vermoed ik dat het in 2021 was. Veel bijzonders is het niet, maar de herinnering geeft de houvast die ik nu even nodig heb.
Als ik weer buiten kom, is het stil op straat.
In de middag passeer ik Aarhus. Groter dan Aalborg maar zo veel fijner. Bij de haven zoek ik mijn overnachtingsplek uit. Een strandcamping nabij Saksild, waarvan ik vermoed dat hij veel te luxe en duur is voor een gewone fietsreiziger, maar dat kan me nu even niet schelen. Ik kan er terecht, er is een prima keuken en buiten is een picknicktafel waar ik uit de wind kan eten.

In de avond loop ik naar het strand en kijk uit over zee. Er zijn wat late badgasten en mensen die op het strand zitten, beschutting zoekend achter kleine duinen en het huisje van de reddingsbrigade.
Aan de horizon ligt Samsø. Ooit wil ik daar heen. Maar het is goed dat ik het nu oversla. Ik wil verder, zuidwaarts, zonder extra hindernissen. Het is wel vermoeiend genoeg zo.
Wanneer ik terugloop vanaf het strand, is het levendige badplaatsje helemaal stilgevallen. De parkeerplaats bij het restaurant is leeg. Er brandt groen neonlicht en het waarschuwingslicht bij de oversteekplaats knippert. Ineens voel ik me een figuur in een film van David Lynch.
Stilte. Beschutting. Alleen zijn. Niemand op straat. Het begint een patroon te worden in mijn behoeftes deze tocht. Ik ben in een mooi land en ik fiets lang niet slecht, maar er is een energielek. De kilometers komen wel, maar de rust blijft uit. En ik weet niet waar het aan ligt.
Maar ik weet wel dat het zo niet verder kan. In Vejle drink ik koffie in een hippe bakkerij en weet dat het een korte dag moet worden. Naar Middelfart, naar die comfortabele camping waar ik in de eerste coronazomer een storm had uitgezeten. Daar kan ik halverwege de middag zijn, zodat ik naar het oude centrum kan wandelen, lekker iets eten. Uitrusten in die comfortabele keuken.
Bij Frederica verlaat ik het vasteland weer. De Lillebælt is hier op z’n smalst, maar vanaf de brug gezien is het een indrukwekkende kloof. De camping is in het bos op de steile oever van de zeestraat, en het is door dit bos dat ik naar het centrum wandel.

Ik kom langs een roeivereniging en een haven met prachtige houten zeilschepen en de werkplaatsen die nodig zijn om ze te onderhouden. In het centrum wandel ik over oude straten vol historische gebouwen tot ik bij het deel kom waar wat horeca zit. Hier wil ik eten.
Maar ik aarzel. Er is niet veel keus voor een vegetariër en de terrassen zijn rumoerig. Lang aarzel ik over een klein Aziatisch restaurant dat misschien wel iets met tofu heeft, maar dan besef ik dat ik alleen wil zijn en loop een supermarkt in.
In de keuken zijn ook andere kampeerders aan het koken. Ik probeer contact te vermijden zonder als een hork over te komen. Wanneer mijn eten klaar is, zijn ze al aan het afwassen. Ik eet mijn pasta op de veranda bij een ondergaande zon.
De wind hielp me op Fyn. Dat was maar goed ook, want ik kwam er vrij snel achter dat de directe route die ik had uitgezet richting Langeland was niet zo leuk. Te veel drukke wegen en ik wist dat ik ook nog door Odense zou moeten.

Niet nog een grote stad. Niet nog meer drukke wegen. Dan maar een langere route die veel leek op die van 2020 en 2012. En met die wind in de rug bleef Langeland prima haalbaar.
En ach, koffie drinken in het mooie Faaborg is geen straf. Ik neem extra veel broodjes want ik kan inmiddels niet genoeg meer eten. Op dat moment heb ik al bedacht dat ik een rustdag op Langeland een goed idee is. Rudkøbing is een mooie kleine havenstad en er is een camping naast het centrum.
De wind blaast me langs de zuidkust van Fyn. Door bossen en akkers, langs dorpen met eeuwenoude geschiedenis, kerken en kastelen. Over de dammen en bruggen tussen Fyn en Langeland. Vanaf de laatste brug zie ik Rudkøbing van boven. Wat een prachtige havenplaats.
Weer beneden zoek ik mijn weg door oude straten, over de kasseien naar de haven om de oude zeilschepen te zien. Het is zo mooi hier.

Maar ik voel dat ik hier niet kan blijven. Zelfs dit kleine, vriendelijke stadje is nu te druk voor mij. Ik denk terug aan het bankje waar ik jaren terug naar de zee zat te kijken. Het is hier vlakbij. Bij de camping in Spodsbjerg, direct aan de overkant van de weg.
Ik hou me wel aan mijn voornemen om wat meer van het eiland te zien dan de kortste weg tussen de brug en de veerhaven, zoals alle voorgaande keren dat ik hier was. Dus ik koers eerst zuidwaarts, over kleine wegen door de akkers en over de lage heuvels, en dan weer noordwaarts richting Spodsbjerg.
Er is ruimte genoeg. Ik krijg een kampeerplekje tussen hoge bomen, enigszins beschut maar de wind ruist hard door de bladeren. Ik kook mijn maaltijd en eet deze op een overdekt terras. Ik zit er in mijn eentje en dat heb ik nodig.
In de avond zit ik dan eindelijk op dat bankje. Maar niet met de rust die ik zoek. Het dringt tot me door dat de wind me mentaal aan het slopen is. Al twee weken lang is het vrijwel geen moment windstil. Het waait altijd. En dan bedoel ik niet de frisse Oostzeebries die de zomers hier zo aangenaam maakt.
Overal in Europa is het weer anders dan vroeger. Extremer en vaak gevaarlijk. Hier aan de Oostzee valt het mee, hier geen bosbranden, moordende hitte of overstromingen. Maar ook hier zit er te veel energie in de atmosfeer en die neemt de vorm aan van wind. Een gekmakende wind die dag en nacht doorgaat.

Ik wil naar de Waddenzee, bedenk ik. Geen garantie natuurlijk dat het daar prima weer is, maar misschien gaan de westenwinden daar nog steeds gewoon liggen met zonsondergang. En anders is het in elk geval… anders.
Ik ga weer terug naar het overdekte terras voor thee. Het is donker en de wind trekt aan de overkapping.