Uitzicht

​Ik loop naar de rand van het uitzichtpunt. Leg mijn handen op de railing. Ik verwacht in de donkerte wat vage contouren van het landschap te zien en lichtjes in de verte. Maar wat me raakt is het koor van krekels dat opstijgt vanaf de rivierbedding, diep beneden mij.

Het was niet de bedoeling dat ik hier terecht zou komen, in Meilhan-sûr-Garonne. Ik had ergens aan de voet van de Pyreneeën oostwaarts moeten fietsen. Maar ook deze reis loopt weer anders dan gepland. 

De dag na de vloedgolf ga ik verder zuidwaarts. Deze etappe is totaal anders dan alle andere deze reis. Bijna de hele dag fiets ik over rechte wegen door naaldbos. Kaarsrecht, zo plat als een zoutvlakte, en er rijdt vrijwel niemand. Vaak moet ik aan Zweden denken, alleen zijn de wegen daar niet zo recht en vlak. En is het daar niet zo bloedheet.

Het is geen vraag meer of ik in Zuid-Europa ben. Dit is zo’n andere wereld dan waar ik woon, en al helemaal anders dan het Noorden waar ik anders zo graag fiets.

Koffie drink ik in een groot geairconditioned café voor gokken op paarden. Er is verder vrijwel niemand. Dat het thermisch afgesloten is van de hitte buiten vind ik tekenend. Deze temperaturen zijn hier blijkbaar zo normaal.

Ondanks de hitte is het fijn fietsen. Ik kies gewoon een tempo dat het beste evenwicht geeft tussen inspanning en rijwind, en de kilometers komen wel. Het is eigenlijk best rustgevend na al die dagen waarbij ik bijna continu op m’n GPS moest kijken om de vaak ingewikkelde route te volgen.

Laat in de middag verlaat ik het bos. De Pyreneeën komen in zicht. Een ontroerend moment voor mij, ik zie ze voor het eerst. Het zal bij kijken blijven, mijn route gaat er niet doorheen. Heel jammer, maar gezien m’n lichamelijke toestand wel zo goed.

Maar toch komen er klimmetjes. Geen hoge, maar wel echte klims. Die waarbij je beneden een verzet pakt, waarna het ritme van je benen en de helling een dans met elkaar beginnen waardoor je de hoogte overwint.

Wat is klimmen toch mooi. Ook in een jaar waarin er weinig snelheid in zit.

Die avond maak ik m’n bivak op een heel kleine camping op de hoge steile oever van een rivier, met uitzicht op een fraai dorp aan de overkant. De naam van het dorp ben ik vergeten, die houden jullie nog tegoed. Ik hoop dat ik er thuis aan denk om hem op te zoeken.

En dan de dag waarop ik het zuidelijkste punt van mijn reis bereik. Het punt waar de Jakobsroute en Langs Oude Wegen elkaar kruisen. Orolon heet het stadje. Opnieuw een warme dag met veel klimmen door de uitlopers van de Pyreneeën. De bergen komen dichterbij en dichterbij, en daarmee groeit ook mijn verlangen om toch een bergpas te pakken, al is het er maar eentje. Ik weet dat ik het niet moet doen, maarja…

En dan rijd ik Orolon binnen. Voor een steil stukje schakel ik even helemaal naar het grootste kransje. Als ik daarna weer op wil schakelen, gebeurt er niets. Spinnend met de pedalen probeer ik heen en weer te schakelen, maar het enige resultaat is ruimte in de kabel.

De veer die de derailleur naar de hogere versnellingen moet trekken, is gebroken. 

Even pieker ik. Dan bedenk ik me dat er een postelastiek in mijn zakje met reparatiemateriaal zit. Nu heb ik die al zeker drie jaar niet vervangen, dus hij is best wel uitgedroogd. Ik span het tussen het parallellogram van  de derailleur en een boutje van het spatbord. Binnen een paar minuten begint het al door te scheuren, maar dat is lang genoeg om te weten dat deze oplossing werkt. 

Ik ga lunchen om toch nog te vieren dat ik op het zuidelijkste punt ben, en dan zoek ik een supermarkt voor een rol elastiek. Fraai is het niet en de hoogste versnellingen pakt-ie niet meer, maar het werkt goed genoeg om door te gaan.

Ik bedenk hoe ruim zeven jaar geleden Paul Voerman mij adviseerde om af te zien van een naafversnelling en toch gewoon een derailleur te kiezen. Ik ben hem heel dankbaar nu. Als in je naaf iets breekt, los je dat niet op met een stukje elastiek.

Het heeft me wel veel tijd gekost, alles bij elkaar. Ik zet hem er flink tegenaan om toch nog kilometers te kunnen maken. Het vinden van een kampeerplaats heeft nogal wat voeten in de aarde. De enige die ik zie, ligt een paar kilometer naast de route. De korte route er heen blijkt vol met zeer steile klims te zitten, die met de warmte en een vermoeid lijf niet lekker gaan. Zeker ook omdat ik zonder water zit.

En dan blijkt de camping niet meer te bestaan. Wat nu. Het gaat al richting zevenen, ik ben moe en sta droog. Toch maar een andere camping zoeken, want een B&B of hotel kan ik hier helemaal wel vergeten. 

Het blijkt dat ik niet goed op de kaart heb gekeken. Elf kilometer verderop zit een camping direct aan de route. En dat is ook nog eens voornamelijk bergaf.

Wat dom van mij. Hoewel gezegd moet worden dat mijn nieuwe Garmin niet echt helpt. Hij kan best objecten vinden en weergeven op de kaart, maar de bijbehorende koers kan hij niet bepalen. Hij zegt doodleuk dat iets zich noord van je bevindt, terwijl het in werkelijkheid zuidwest is, bijvoorbeeld.

Maar dat is een luxeprobleem in vergelijking met wat er de volgende ochtend gebeurt. De Garmin start helemaal niet meer op. Andere batterijen, SD-kaart er uit, niets helpt. Hij is kapot. 

En dat betekent dat ik de route niet kan afmaken. Zelfs al wist ik langs welke steden hij loopt, dit soort routes zijn veel te ingewikkeld om zonder GPS te rijden. Zelfs al heb je een gedetailleerde beschrijving, dan nog vergt het navigeren te veel tijd en betekent één vergissing dat je flink verdwaalt.

Ik zit op een bankje in het dorp en kan wel janken. Wéér een reis die ik niet af kan maken. Afgezien van de trein naar huis rest mij maar één mogelijkheid: Een papieren kaart kopen en naar het noorden fietsen.

En dat doe ik dus maar. Er is hier gelukkig een winkel die een kaart voor me heeft. En ik ga noordwaarts. Met een brakke derailleur over wegen die meestal groter zijn dan me lief is.

Ik bereik die avond Meilhan-sûr-Garonne. Waar ik de volgende dag, net nadat ik mijn matras heb laten leeglopen, besluit om een rustdag te houden. 

Die avond eet ik in een restaurant op een geweldig uitzichtpunt dat hoog boven de omgeving uittorent. Afgezien vam het bier, serveren ze alleen biologische streekproducten, en dat is te proeven. Terwijl ik eet wordt het donker. De temperatuur is aangenaam en de sfeer doet me denken aan die avond in het hotel in Tsjechië, drie jaar terug. Heerlijk is het.

Ik had hier niet willen zijn. Maar het is hier goed.

Zuidelijk

Halfrond en langwerpig. Zoals de terracotta drainagepijpen die ik als jongetje zag in de weilanden, maar over de lengte gehalveerd. Het waren deze dakpannen die mij als eerste het gevoel gaven de grens tussen Noord- en Zuid-Europa te zijn overgestoken. Het weer was er nog niet naar, ik had die ochtend in Châtellerault nog wel in de zon ontbeten, maar daarna was het weer bewolkt geraakt en het regende nu zelfs licht.

Hoewel, in de verte zag ik een scherpe overgang naar een blauwe lucht. Zo scherp dat het niet gewoon het einde van een bui betekende, maar de overgang naar een ander weertype.

Nu kan dit je uiteraard ook in Lapland meemaken, maar het paste wel bij het gevoel van zuidelijkheid dat ik inmiddels had gekregen.

De eerstvolgende grote plaats bereik ik in de volle zon. Het is Poitiers. Jaren geleden heb ik hier geluncht met James, toen we naar de Dordogne fietsten. Aan het eind van die tocht werden we in een prachtig vakantiehuisje opgewacht door zijn toenmalige vriend en mijn toenmalige vriendin.

Wat verandert er toch veel in vijf jaar.

We lunchten in een Spaans restaurant. Ik fiets er nu weer langs, het is nog dicht. Ik weet nog hoe het was toen, het was warm, ik had eigenlijk helemaal geen zin om langer te pauzeren dan een kopje koffie, maar het eten was uiteindelijk heel lekker.

Ik weet het, Spaans eten kan ook in Delft. Maar zowel toen als nu draagt het bij aan dat gevoel van zuidelijkheid.

Na Poitiers kom ik op steeds smallere asfaltweggetjes terecht, die langs gehuchten en kleine boerderijen van natuursteen en ruwe balken voeren. Vaak nog bewoond en in bedrijf. De landbouw heeft hier een beduidend kleiner schaalniveau dan een stukje noordelijker.

De dag eindigt op zo’n boerderij, hoewel een relatief groot exemplaar. Omgebouwd tot minicamping annex B&B. Ik bel aan, een welgevormde, ietwat alternatieve dame doet open en wijst mij de weg. Er zijn nog drie gasten: een fietser en een Brits echtpaar dat met de auto gekomen is.

Later komt er nog een fietser, een Franse jongen voor wie het allemaal nieuw is. Dit is zijn tweede reis op de fiets, en hij gaat hem niet afmaken. Het alleen fietsen trekt hij niet, hij heeft echt gezelschap nodig. Goed dat hij het geprobeerd heeft, nu weet hij het tenminste. Hij stelt wat vragen over hoe ik het doe en wat ik zoal gefietst heb. Dan verdiept hij zich in een boek over veganisme. 

Terugkijkend op deze ontmoeting heb ik wel bewondering voor hem. Iemand die op zo’n jonge leeftijd z’n eigen weg durft te zoeken en zich niet schaamt voor een mislukte poging.

De fietsers gaan allebei vroeg slapen, het echtpaar blijft nog wat langer zitten. Hun waxinelichtjes zijn het enige kunstlicht. Dan gaan ook zij slapen en zit ik als enige aan de houten tafel. Ik geniet van de sterren en de geluiden van krekels en nachtdieren.

Les Petites Martinies heet het hier. Wat een heerlijke plek om te zijn.

En dat denk ik terwijl ik nog niet het prachtige stadje heb gezien dat op een paar kilometer blijkt te liggen. Middeleeuws, met een groot kasteel op een steile heuvel. Een mooie kerk, een prachtig overdekt marktpleintje. Via een straatje dat zo steil is dat het maar net lukt in 30/30, kom ik bij het kasteel. Naar binnen gaan doe ik niet, maar ik vergaap me even aan het uitzicht vanaf de heuvel waar het kasteel op staat.

Had ik hier maar mijn rustdag gehouden, denk ik als ik weer verder rijd. Maargoed, dat kun je niet vantevoren weten en mijn lijf zou die extra dag toch niet getrokken hebben.

Pal naar het zuiden gaat de route. Ergens passeer ik de grens van de Dordogne en dan is alles opeens een stuk touristischer. Markten met streekproducten, restaurants overal, winkeltjes, ateliers. En vakantiegangers. 

En ook opvallend meer bos. En dat is maar goed ook, want het is warm en de zon brandt genadeloos op mijn huid. Zonnebrandcreme is goed, schaduw is beter. 

Halverwege de middag laten de bomen me weer in de steek. Ik fiets tussen de wijngaarden, die van de beroemde châteaus rond Bordeaux. Men doet hier weinig moeite om de rijkdom te verbergen. Wijn is hier oppermachtig.

Nog wel, want ook Frankrijk is steeds meer een bierland aan het worden. Meerdere speciaalbieren op de tap is hier al doodgewoon. In Châtellerault dronk ik een traditionele amber uit de Elzas, de Dorelei, en een Franse Double IPA bij de maaltijd. Ze hadden tientallen Franse bieren op de kaart.

Frankrijk. Zelfs hier wankelt de ooit onaantastbare positie van wijn als luxedrank bij uitstek.

Rond vier uur eet ik een panini in een lunchcafé in één of ander historisch en megatouristisch stadje. Ze verkopen er ook wijn om mee te nemen. Ik zit naast flessen van tientallen euro’s. Vast heel lekker. Maar ik betwijfel of dit nog lang zo door gaat.

Het is echt geen toeval dat ook hier de bijzondere bieren in opkomst zijn. Ergens, twaalf, misschien vijftien jaar geleden was er in het bier een ‘big bang’ en ontstond een heel nieuw universum aan smaken. Nieuwe en juist lang vergeten recepten, allerlei brouwmethodes, hopsoorten, graanmengsels, zelfs nieuwe manieren van tappen. Binnen een paar jaar ontstond er een smaakrijkdom waar wijn compleet bij verbleekt. En het eind van die ontwikkeling is nog lang niet in zicht. 

In de wijnindustrie zie ik niets van dat alles. Waar zijn de mengsels van druiven met ander fruit? Waar zijn de wijnen die op kruiden rijpen? Waar zijn de gerookte druiven?

De nieuwe brouwers hebben wijn saai gemaakt. Lekker misschien, maar saai. Niet iets waarvoor je naar een café of restaurant gaat.

Ik fiets verder tussen de chateaus en vraag me af waarom iemand zestig piek zou neertellen voor de fles rood waar ik naast zat, terwijl je daar in mijn stamkroeg, aan een prachtig Delfts grachtje, acht keer een Emelisse White Label voor drinkt. 

Tegen zessen arriveer ik in Cadillac. Eveneens een prachtig historisch stadje, maar minder touristisch. Direct buiten de stadsmuur is de gemeentelijke camping. De sfeer op de camping voelt aanvankelijk een beetje raar, maar dan ontdek ik dat dit zo’n plek is waar iedereen elkaar kent.

Cadillac ligt aan de Garonne. Die af en toe bruut buiten zijn oevers treedt, zo zie ik als ik later door het stadje wandel. Ik snap wel waarom die stadsmuur nog zo intact is, menselijke vijanden buiten houden hoeft dan niet meer, maar als waterkering blijft hij wel heel handig. 

Een voorproefje hiervan krijg ik als ik net aan mijn koffie begonnen ben. Ik zit dan aan de picknicktafel, waar steeds meer mensen zich verzamelen. Ik krijg te horen dat er over tien minuten een vloedgolf zal komen. We gaan met de hele groep richting de rivier. Er is een grote drijfsteiger waar we eigenlijk niet op mogen maar dat doen we natuurlijk toch. 

De vloedgolf komt binnen als de hekgolf van een groot schip. Aan de wal breekt hij. De drijfsteiger kraakt en piept onder het geweld. In één klap is het water bijna een halve meter gestegen. De stroomrichting van de rivier is omgedraaid.

De Atlantische Oceaan zal ik niet zien dit jaar. Achteraf gezien een planningsfout, als je zo zuidelijk in Frankrijk gaat, moet je eigenlijk toch wel een blik op de oceaan werpen. Maar met deze vloedgolf heb ik hem in elk geval gevoeld.

Noodweer en een eindsprint

​Opnieuw was een goede nachtrust me niet gegund. De lantarenpalen op de camping vielen in de categorie stadionverlichting, en ze brandden de hele nacht. Mijn tent stond er vlak onder. Ik heb midden juni op 71 graden Noorderbreedte gekampeerd en toen was een slaapmasker minder nodig.

En toen kwam het onweer. Traag, met miezer die aanvankelijk nog gezellig op het tentdoek trippelde. Toen donder in de verte. Heel langzaam kwam het naderbij. De flitsen werden sterk genoeg om het kunstlicht te overstemmen. De miezer werd regen, de regen een stortbui. Donderslagen kwamen sneller na elkaar en kozen uiteindelijk positie recht boven mijn tent. Een crescendo dat uren in beslag leek te nemen. Het water sloeg zo hard op het doek dat de 5000 mm waterkolom een paar keer overschreden werd. Oorverdovend.

En toch lukte het me om even na negen uur zover te zijn dat ik mijn tent kon afbreken. De buurman bood me koffie aan, maar ik wilde weg. Aangenaam gezelschap was ik toch niet na twee van die nachten. Op dat moment begon het opnieuw te regenen. Ik wilde het even afwachten onder een afdakje. Lang leek het niet te gaan duren, maar dat viel tegen. De regen veranderde in een stortbui die maar weinig onderdeed voor wat er ’s nachts was gebeurd. Nu vertrekken was niet aan de orde. Het was zelfs te erg om naar de buurman te rennen om alsnog een kopje koffie te incasseren. 

Na drie kwartier verandert de hoosbui in min of meer gewone regen en trek ik een sprintje naar mijn tassen om m’n regenjas te pakken en alsnog af te breken. Het heeft me wel lang genoeg geduurd.

Regen, harde tegenwind en een ketting waar de laatste molecule olie afgespoeld is. Opschieten doet het niet. Maar dat is geen reden om nu weer af te zakken. Wat ik gisteren hervonden heb, laat ik niet meer los.

Na een uur kan de regenjas uit, maar de wind blijft. Net als het geknars van de ketting. Ik zal bij de koffiepauze moeten smeren, anders gaan er dingen stuk. 

Tours is binnen handbereik. Een prachtige stad, maar te groot om er tijd door te brengen. Dat is een nadeel van in je eentje reizen. Je kan wel op een terras gaan zitten, maar je hebt geen maatje om op je spullen te letten als je even naar de WC moet. Pauzes, boodschappen, rustdagen, alles doe ik daarom in kleine plaatsjes.

In een land waarvan de bewoners nog meer met de auto vergroeid zijn dan in Nederland, betekent dit dat in een straal van twintig kilometer rondom een grote stad vrijwel niets is. Geen supermarkt, geen bar-tabac. Iedereen rijdt voor elk wissewasje naar de stad. Dus hoewel ik trek heb in koffie en mijn ketting allang droog genoeg is voor een dosis olie, is er geen gelegenheid voor een stop.

Maar aan de Loire is er dan toch iets. Een groot amusementspark waarvan de borden ook een terras beloven. Aanvankelijk fiets ik langs allerlei attracties voor jonge ouders en hun kinderen. Het geschreeuw is oorverdovend. 

Een paar honderd meter verderop is dan het beloofde terras. Groot, met genummerde tafels en bediening die sloom om zich heen kijkt. Ik haal koffie aan de bar en als ik naar de WC ga zie ik een grote open tent met daar onder een houten dansvloer. Zeker twintig meter in het vierkant, met een podium waar straks een band gaat optreden. Er is ook een rij voor een kassa, waar bejaarden een rood polsbandje kopen. Aan het eind van die rij staan touringcars.

Wanneer ik aan mijn tweede koffie begin, gaat de band spelen. Tenenkrommende hoempapa, maar de mensen met de polsbandjes gaan meteen de dansvloer op. De gedachte dat ze op hun oude dag nog de dansvloer onveilig maken, zorgt dat ik de muziek kan verdragen. Een aantal nummers ken ik trouwens, in sarcastische, sinistere uitvoeringen door de The Dead Brothers. Eén van de meest ondergewaardeerde bands die ik ken.

Als ik zo oud ben, wil ik ook blijven dansen. Tot ik er bij neerval. Maar dan wel tango en niet dit. Dat dan weer wel.

Aan de bar biets ik een meter keukenpapier om de overtollige olie van m’n ketting te vegen, en dan ga ik verder. Tours is mooi als altijd, en het betekent dat ik na de Hollandse IJssel, de Lek, de Oude Maas, het Hollands Diep, de Schelde en de Seine de zevende grote rivier oversteek.

Stoppen is er dus niet bij. Misschien dat ik toch ooit een keer, wellicht met een reisgenoot, steden moet gaan bezoeken. Want ik hou er wel van. Ik bén een stadsmens nota bene. Maar grote steden en solotochten op de fiets gaan nu eenmaal slecht samen. Dus ook nu laat ik Tours voor wat het is en klim het Loiredal uit.

Vanavond wil ik landen bij een stadje waar ik een rustdag kan houden. Niet te groot, niet te klein, een plek waar ik fatsoenlijk uit eten kan en de gelegenheid om mijn kleren te wassen. En alles op loopafstand.

Op de GPS heb ik al gezien dat Châtellerault mijn beste gok is daarvoor. Voor zover ik kan overzien, is dat nog zestig kilometer fietsen. Het is half vijf. Moet kunnen. 

Vorig jaar zou ik niet met m’n ogen knipperen bij de gedachte aan zestig kilometer in twee-en-een-half uur. Maar nu betekent het wel een flinke eindsprint voor de week. Met tegenwind, klimmetjes. En twee keer een weggetje dat blijkt dood te lopen op een nieuwe spoorlijn. En een moment van gezond verstand waarop ik stop bij een supermarkt om een fles water te kopen. En aangehouden worden door de Gendarmerie voor paspoortcontrole.

Dat laatste gebeurde in een klein stadje waar ik op zich een prima rustdag had kunnen hebben. Goede sfeer, meerdere bars en restaurants, camping op een kilometer. Maar ik zit dan pas op 140 kilometer voor de dag. En ik heb m’n zinnen gezet op Châtellerault.

De route komt bij de Vienne en volgt deze rivier pal zuidwaarts. Het fietsen wordt dan gemakkelijker. Ik voel minder wind en de weg is goeddeels vlak. Het is een prachtig landschap met fraaie historische dorpjes. Maar ook hier is er verval. De leegloop van het Franse platteland laat zich niet verbergen. Het valt me vooral op bij een gehuchtje genaamd Ports – Les Vieilles. De plaatsnaam en de kelders in de rotswand doen mij vermoeden dat hier ooit vaten wijn op schepen geladen werden die vervolgens de rivier afzakten naar de grote steden en zeehavens.

Het is er prachtig. Als ik een plattelandsmens was, zou ik er graag wonen. Maar veel huizen zijn verlaten of zelfs ingestort. Ik zie één levende ziel, een oude vrouw die boodschappen pakt uit de kofferbak van een aftandse Citroën. Ze draagt een mooie jurk, alsof zij het decorum van dit plaatsje op peil moet houden.

Als het hier al instort, hoe moet het dan in die talloze gehuchtjes tussen de saaie graanvlaktes die ik heb gezien?

Het is nog ruim voor zevenen als ik Châtellerault bereik. Maar vrijwel meteen verdwaal ik, zodat ik pas na zevenen de camping bereik. De receptie is gelukkig tot laat open, dus het komt allemaal goed. Ik krijg een mooi plekje met een bankje dat uitkijkt over een zijtak van de Vienne.

Aanvankelijk baal ik een klein beetje dat ik niet in het vorige stadje gestopt ben. Deze plaats is eigenlijk groter dan ik wilde, met uitgebreide flattenwijken enzo. En nu ik het herken van de vorige tocht, twijfel ik over de gezelligheid. Het leek toen een beetje duf.

Dat lijkt bevestigd als ik de stad in ga om te eten. Weinig mensen op straat, veel is dicht. Uiteindelijk vind ik een Berbers restaurant waar ik een heerlijke groentecouscous eet. Daarna drink ik nog een biertje op een terras. Er zit een dakloze vrouw op straat, die even later gepest wordt door drie agressieve bezopen kerels. Ze raakt compleet van slag, waarop de eigenaar van de brasserie reageert door haar weg te sturen. Wat natuurlijk niet werkt. Het eindigt er mee dat ze schreeuwend een vol blik bier de straat over gooit, net een auto missend

Met een klotegevoel stap ik op de fiets. De vrouw is inmiddels gekalmeerd en is nieuwsgierig naar mijn fiets. Ik zeg dat het een fiets voor grote afstanden is en demonstreer hoe je er op fietst. Ze vindt het geweldig.

Ik ben bepaald niet in de wieg gelegd voor sociaal werker, maar begrijp nu beter dan ooit waarom die mensen nodig zijn.

Om kwart voor elf ben ik weer bij mijn tent. Leuke stad zeg, klaag ik op Twitter, als de vrijdagavond bestaat uit een handjevol verveelde mensen en het pesten van een dakloze.

Het is donderdag, krijg ik als antwoord. Oh ja. Morgenavond begint het weekend pas. Ik ben de tel van de dagen nu al kwijt. Vast een goed teken.

Het goede tempo

​Alle andere fietsers waren al weg toen ik mijn tent uit kroop. Nou ben ik sowieso niet de vroegste en ik had mijn avond in Tournai besteed aan tripeltjes in een dubieus rockcafé waar BH’s achter de bar hingen. Maar dit was wel heel extreem. Rustig aan doen was het doel van deze reis, en het wilde niet wennen.

Pas tegen tienen was ik op pad, en dat voelde helemaal niet als ‘rustig aan doen’. Het was gehannes, gedoe, gekluns en twintig keer heen-en-weer lopen naar het toiletgebouw. Maargoed, eenmaal onderweg werd het beter. Tournai verliet ik via het zoveelste jaagpad van deze reis, ditmaal langs de Schelde. Opnieuw zie ik meer van de industriële geschiedenis dan van het pelgrimsverleden, maar dat maakt de tocht niet minder interessant. Lang geleden fietste ik hier met mijn vriend James, op weg naar de Dordogne. Zulke herinneringen geven een route voor mij atijd extra betekenis. 

Misschien moet je elke tocht die je maakt wel twee keer rijden. Eén keer als verkenning, en één keer om hem definitief in je geheugen te etsen.

En de aarde is zo groot en een mensenleven zo klein. Ik geloof nooit dat ik zelfs maar mijn eigen werelddeel uit krijg voordat ik sterf. Laat staan twee keer.

Geleid door het paarse lijntje op de GPS verlaat ik de Schelde en bij het plaatsje Rumegies ga ik Frankrijk in. Bij de eerste de beste bakker stop ik om chocoladebroodjes te halen, maar die vallen natuurlijk tegen. Er zit vrijwel geen chocola in en toch zijn ze duur. Zoals altijd in Frankrijk. Waar ze die culinaire reputatie toch vandaan halen, het is me een raadsel. Ik hoop dat in het stadje waar ik over een paar dagen een rustdag hou, een goede Italiaan of Thai zit.

Tegen twaalven begint mijn gayprideblessure een beetje te zeuren. Kort daarna zie ik zo’n typisch Franse paardenrenbar en ga koffie drinken. Binnen zitten allemaal mannen die zo uit de Asterix weggelopen hadden kunnen zijn. Natuurlijk zitten ze al aan het bier en gokken alsof het een lieve lust is. Als ze binnenkomen of vertrekken, geven ze iedereen een hand. Mij ook.

De koffie is uitstekend en kost bijna niks. Dat kunnen ze wel goed hier.

Ik blijf veel te lang zitten. Een uur bijna, terwijl ik pas twee uur gefietst had. Ik baal ervan als ik weer op weg ben. Dat ‘rustig aan doen’ geeft totaal geen voldoening en al helemaal geen vakantiegevoel. Het is niet raar om de eerste dagen wat te klungelen met het vinden van het juiste tempo, maar dat ik nu gedwongen ben om aan de verkeerde kant van de streep te zitten, stoort me.

Het goede nieuws is dat ik niets meer voel als ik verder rij. De rust heeft wel geholpen. Daar probeer ik dan maar moed uit te putten.

Het gaat me snel vervelen, Frankrijk. Al die schattige Noord-Franse dorpjes lijken op elkaar. Af en toe fiets ik door bos, maar meestal zit ik tussen net geoogste akkers. Heuvel na heuvel beklim ik en daal ik af, en het gaat langs mij heen. Ik passeer Cambrai, St. Quentin, plaatsen waar ik herinneringen aan heb van de reis met James. Het kleine twaalfde-eeuwse torentje waarvan niemand meer weet waar het ooit voor diende.

Ik weet donders goed wat er mis is. Ik fiets te langzaam. Die eeuwige valkuil, alleen is het nu geen valkuil maar is het fysieke noodzaak.

Nog één keer zie ik de Schelde. Bij de bron. Wat een korte rivier eigenlijk, en hij loopt alleen maar door het laagland. Er is een klein monument, een handjevol bezoekers. Drie jongetjes spelen op de trap die het water in voert.

De dag eindigt in een dorpje naast Noyon. De grandeur van de kathedraal die eigenlijk veel te groot is voor het stadje, raakt me. Maar niet zoals op die grauwe dag dat ik hier voor het eerst kwam. Uiteindelijk is het gewoon weer een kerk. De zoveelste. Blij dat ik geen pelgrim ben, had ik weer moeten bidden.

Die avond ben ik op zich rustig. Schrijven lukt niet, maar ik geniet van de stilte. Die is hier in overvloed. Af en toe hoor ik een auto in de verte, ergens in een caravan pruttelt een TV. Verder is er alleen windgeruis in de bomen.

De ochtend er na gaat het echt mis met mijn stemming. Ik schrik veel te laat wakker en ben pas na half elf op pad. Rationeel weet ik wel hoe het zit, dat is het probleem niet. Ik heb genoeg tijd, loop op schema en juist die eerste dagen moet ik rustiger fietsen. En die stemming komt gewoon van het lage tempo. 

Maar dat wil niet zeggen dat die stemming er niet is. Genieten is er niet bij, ik pieker over de meest onmogelijke dingen, die helemaal niets te maken heb wat ik hier doe. Het is onvermijdelijk bij dit inspanningsniveau. Veel langer moet het niet duren, dan kan ik beter naar huis. Ik let nauwgezet op wat ik voel in mijn been, of de blessures minder worden. En dat lijkt zowaar het geval. Die in mijn voet is weg, die in m’n kuit voel ik alleen nog als ik op een stoel zit.

Na de koffiepauze waag ik het er op. Ik ga een stukje meer richting m’n normale tempo. Inmiddels nader ik dan de Seine, zodat de klimmetjes ook beter worden. Het gaat goed. Geen pijn, geen instabiel gevoel. En ik zie de omgeving weer.

Bij het oversteken van de Seine haal ik twee fietsers in. Aan hun fietsen zie ik meteen dat het Nederlanders zijn; een mengvorm tussen stads- en sportfiets met extra bagagedragers. We groeten elkaar maar het is geen moment voor een praatje. Waarschijnlijk zie ik ze wel op de camping. En inderdaad. Als ik terug kom van het douchen, zijn zij net gearriveerd. Maar ook nu spreken we elkaar niet echt. En ook de andere Nederlander die deze route fietst, spreek ik niet. Ieder heeft het te druk met z’n eigen sores.

Vandaag is de vijfde dag van mijn reis. Slapen ging matig, er was een snurker wiens buurman om de haverklap ‘Ta gueule!!’ riep. Maar toch heb ik energie. Aanvankelijk zet ik in op het tempo van gistermiddag, en opnieuw gaat het beter met mijn stemming. Na een korte koffiepauze in het waanzinnig mooie Chartres waag ik het er op. Ik zet mijn vertrouwde tempo in. En dat is hard, realiseer ik me nu voor het eerst. Eigenlijk ben ik best een ruige fietser. Goed, van olympisch niveau ben ik niet en menig amateur zal ook rondjes om mij heen rijden, maar ik ga wel diep voor het lichaam dat ik heb.

Ineens is alles weer mooi. Geen twee akkers zijn meer hetzelfde. Het goudgeel van de graanstoppels gloeit. Elke boom, elk huis heeft geschiedenis. Toen de pelgrims hier liepen was alles bos. Of liepen ze altijd over Parijs? Hoe waren de bossen toen. Vast veel natuurlijker dan nu. En veel gevaarlijker. 

Ergens op zo’n kurkdroge heuvel zonder een centimeter schaduw gaat mijn waterzak leeg. Met deze hitte. Het boeit me niet meer, er komt vast wel een winkel waar ik voor 30 cent een fles heb. Geen haar op mijn hoofd die er over denkt om voorzichtiger te gaan rijden. Dan maar dorst. Ga ik heus niet dood van.

Hoe zou het trouwens zijn voor de mensen die nu te voet de Jakobsroute doen? Die moeten wel over deze dorstige hoogvlaktes, het bos dat de middeleeuwers schaduw gaf is er niet meer. De afstanden zijn soms best flink hier. Voor een hele dag water in je rugzak meesjouwen lijkt me niet uitzonderlijk op deze route.

Fietsen is best praktisch, bedenk ik me. Ondanks dat je op eigen kracht gaat, heb je een flinke actieradius. Twintig kilometer zonder water is geen probleem. Te voet ga je dan kapot.

Dat ik dit soort overpeinzingen weer heb. Dat ik weer aan andere mensen kan denken, het landschap weer zie. Het komt puur door die inspanning. Wat heb ik toch een raar lijf. Het moet gewoon keihard sporten, anders raakt het uit balans.

Een balans die ik dus pas heb sinds ik met deze sport begonnen ben. Minder dan 15 jaar geleden. Bizar hoe groot het deel van mijn leven is dat ik dit niet wist. Dat ik allerlei geestelijke en lichamelijke problemen had waarvoor de oplossing bij de fietsenmaker in de etalage stond.

Maargoed, dat rare lijf brengt me dus mooi wel ergens. Op de camping municipal van Moree in dit geval. Mag je zo weer vergeten. Het is weinig bijzonders maar ik kan er bivakkeren, douchen, mijn telefoon opladen. Meer is nu niet nodig. Morgen ga ik weer verder. In het goede tempo, corpore volente.

En route

Met horten en stoten. Anders is deze start niet te omschrijven. Blessure op blessure, een nieuwe velg op het laatste moment, vermoeidheid die maar terug bleef keren. Maar nu ben ik onderweg, op de Jakobsroute.

Een pelgrimsroute dus. In de middeleeuwen door honderdduizenden gelovigen bewandeld, en nu fiets ik hem. Als atheïst. Voor mij is er niets spiritueels aan. Ik fiets hier om van het landschap te genieten, omdat het rust geeft en goed is voor mijn lichaam en mijn hersenen. Meer niet.

Maar misschien zal ik af en toe een glimp opvangen van wat al die mensen toen bewogen heeft om die heilige tocht te maken. Langs al die kerken en kruisen en kapellen. De mariabeelden, kloosters, relikwieën. 

Het is bijna niet te vermijden op deze route. Overal voel ik deze geschiedenis, bij elke kerk weer. Of beeld ik het me maar in? In die 155 kilometer die ik de eerste dag fietste, zag ik een paar keer een imposante kerktoren uitsteken boven het land, en was ik er van overtuigd dat ik er langs zou komen. Maar nee, de route ging straf naar het zuiden. Alsof het één van mijn eigen no-nonsense routes was.

De pelgrims gingen te voet op slechte schoenen over beroerde wegen. Hun route moet nog meer no-nonsense zijn geweest, lijkt mij. Wellicht lieten zij, op die ene grote reis die ze in hun korte leven konden maken, nog veel meer links liggen dan ik wanneer ik in tijdrijdertrance ben.

Het zijn niet alleen religieuze bezienswaardigheden waar ik langs kom. De molens van Kinderdijk bijvoorbeeld. Een zaterdagmiddag in augustus is niet het beste tijdstip hiervoor, maargoed. De grote rivieren die ik oversteek. De kleine meanderende rivieren waar ik met name zuid van Breda langs fiets. Sowieso, Breda. In mijn eerste bericht van de reis vorig jaar schreef ik dat de ziel van Nederland in de provinciestadjes zit. 

Nou, Breda is geen uitzondering. Eerst een prachtig sfeervol park, en daarna kom ik langs het ene na het andere gezellige plein. Door sjieke winkelstraten, langs prachtige gebouwen. Het doet allemaal niet onder voor Amster/Rotterdam, maar dan met een rust en ongehaastheid die in de Randstad uiterst schaars is.

Mijn doel voor deze eerste dag was om net even een stukje België in te komen. En dat lukt, niet eens zo heel ver zuid van Breda passeer ik de antieke gietijzeren grenspaal die de twee landen scheidt. De route gaat hier over smalle kronkelige paden door fraaie natuur. Het is opvallend rustig, er zijn nauwelijks andere fietsers.

Kort na zessen vind ik het tijd om op zoek te gaan naar een kampeerplek. Ik ben dan in Rijkevorsel. Langs de route is niet veel, maar een stukje oost zijn twee campings volgens mijn GPS. Helaas zijn dat allebei stacaravanparadijzen en geen normale campings voor reizigers zoals ik. Het kost me een hoop tijd. Na veel gepuzzel vind ik ik de volgende bij Wechelderzande, maar ook daar is geen ruimte voor tenten. Maar de beheerder verwijst me door, en een kilometer verderop kan ik dan toch mijn tent op zetten. 

Er zijn nog twee fietsers, jonge vrouwen uit Eindhoven die een lang weekend langs de trappisten fietsen om bier te proeven. Het eerste biertje staat al voor tien uur de volgende ochtend gepland. We babbelen kort, dan gaan zij uit eten en ik koken. Het is al donker als ik afwas, de speurtocht naar deze plek heeft meer dan anderhalf uur geduurd. Maar het is zaterdagavond dus ik wandel nog even het dorp in voor een biertje.

De tweede dag is een dag van jaagpaden. In dit deel van België zijn veel kanalen uit de tijd van de industriële revolutie. Blijkbaar was gemotoriseerde binnenvaart nog lang geen gemeengoed, want alles is gebouwd op trekschuiten.

Dit deel van de geschiedenis van de scheepvaart ken ik eigenlijk niet. Wanneer begon het? En tot hoe lang ging het door? In elk geval tot in de twintigste eeuw, want toen pas kregen de grotere binnenvaarders motoren. Eerst vaak nog als min of meer losse hulpmotoren met een schroef die halverwege het schip aan de zijkant in het water gelaten werd. Paardenkracht bleef nog heel lang goedkoper dan verbrandingsmotoren.

In elk geval heeft deze infrastructuur nu een tweede leven als netwerk van doorgaande fietspaden. De Jakobsroute maakt er dankbaar gebruik van. Ik kom langs allerlei industrieel erfgoed, dat soms verweven zit in modernere fabrieken. Het is rommelig, vaak matig onderhouden. Alsof het verhaal van.de industriële revolutie net zo’n wegwerpding is als de arbeiders die hier zwoegden en stierven.

Zonder dat ik het meteen besef verlaat ik de jaagpaden en kom terecht op een andere deel oude infrastructuur die nu de fietser dient. Oude, niet meer rendabele spoorlijnen  waarbij de rails vervangen is door een smal en bonkig strookje asfalt. Hoe recht en vlak het ook is, lekker rijden doet het niet. Maar één voordeel heeft het wel boven de jaagpaden: Bij elk wat groter plaatsje is een oud station, vaak omgebouwd tot eetcafé. Op het station van Baardegem neem ik pauze. Op de gevel staat nog Baerdegem. Ik neem koffie en een pannekoek. Laat mijn been wat rusten. De blessure die ik opliep bij de Gay Pride voel ik weer een beetje, die andere lijkt met de nieuwe schoenen nu echt onder controle.

Opnieuw besef ik pas achteraf dat ik de oude spoorlijn heb omgeruild voor oude jaagpaden. Alleen deze paden gaan niet langs industriële kanalen maar een meanderend riviertje. Het landschap is hier al aardig aan het glooien. Ik nader de Vlaamse Ardennen.

Gebruikten de pelgrims eigenlijk de trekschuit over dit deel van de route? De armeren natuurlijk sowieso niet, maar er staat me iets van bij dat het sowieso alleen telde als je het te voet deed. Maar misschien mochten ouderen en zwakkeren wel anders reizen.

Wat weet ik er eigenlijk weinig vanaf. Ik heb dan wel de inleiding van het fietsgidsje gelezen, maar dat is natuurlijk maar heel summier. De route die ik volg is beladen met geschiedenis die ik niet ken. Telkens komen de simpelste vragen in mij boven en ik heb geen idee van het antwoord. Op reis neem ik nooit een boek mee omdat ik er toch niet aan toe kom, maar in dit geval zou een inleiding in de pelgrimkunde best fijn geweest zijn om mee te hebben.

Een stukje voorbij Geraardsbergen verlaat ik de rivier en ga de heuvels in. De pelgrims verdwijnen uit mijn gedachten. Mijn geest is nu vooral bezig met de omgeving. De graanoogst is bezig, overal combines en trekkers op de velden. Het klimmen is begonnen. Bescheiden klimwerk is het, ondanks de blessure moet slechts zelden de 39-tands ervoor. 

Of het door het klimmen komt, of gewoon omdat ik nu bijna twee dagen op pad ben, ik voel de oude reislust terugkeren. Dat wat vorig jaar in Tromsø gesmoord werd door een helse pijn in mijn voet, komt weer tot leven. Het verlangen naar de volgende heuvel. Mijn ogen die het landschap opslurpen. De verleiding van de horizon.

Tournai is de meest logische plek om het een dag te noemen. Ik heb er dan 170 kilometer op zitten, in minder dan negen uur. Nog lang niet de 200 door de bergen die in 2013 en 2015 de norm waren. Het grootse en meeslepende van die reizen zal ik dit jaar niet vinden. Maar dat hoeft ook niet. Dit is een begin. De inleidende beschietingen voor iets groots in een volgend jaar.

Alweer een tegenvaller…

Zoals ik in een vorige post al meldde, het fietsen gaat niet lekker dit jaar. De blessure en de burnout die ik overwonnen dacht te hebben, staken toch de kop weer op. Het plan voor deze zomer werd daarom een bescheiden rondje Frankrijk in een rustig tempo. De vertrekdatum had ik op 9 of 10 augustus gezet.

Zaterdag voer ik mee op de boot van RozeLinks bij de Gay Pride, en toen sloeg het noodlot toe. Tijdens het zwaaien met de regenboogvlag schoot het in m’n been. Het voelde als een kleine zweepslag of een heel zware kramp, of iets anders ongelukkigs. Ineens leek zelfs een rustige fietsvakantie buiten bereik te komen.

Ik heb een paar dagen rust gehouden, en vandaag een klein rondje gefietst op de Chamsin. Het voelde prima, maar ook alsof ik geen gekke dingen moet uithalen. Ik denk dat ik met één of twee dagen vertraging op pad kan. Wellicht de eerste dagen heel rustig, 100 à 120 km per dag in een niet te hoog tempo.

Morgenochtend weet ik meer. Kijk op Twitter voor het laatste nieuws.

In de krant…

artikelnrc…en niet zomaar een krant, maar de NRC! Het eerste deel van de zomerserie ‘Mijl op zeven’. Getipt door Bas de Meijer kwam ik in contact met journaliste Brigit Kooijman die op zoek was naar mensen die een bijzondere roadtrip hadden gemaakt. Nou, die heb ik wel op mijn naam staan inmiddels.

Het interview focusseert op het Rondje Scandinavië dat ik in 2010 fietste. Je kunt het artikel hier online nalezen.

 

Rustig aan

DSC05376_v1

2016 wordt geen groots en meeslepend jaar. De blessure die in december verdwenen leek te zijn, steekt af en toe toch de kop weer op. Dit voorjaar ben ik twee lange weekenden met de fiets op pad geweest, en ik merk dat ik mijn gebruikelijke tempo maximaal drie dagen achter elkaar kan vasthouden. Het is geen leuke conclusie, maar een brute reis zit er dit jaar niet in. Ik kan het gewoon niet.

Lees verder